De eerste horden zijn het hoogst

De moderne Olympische Spelen begonnen met vallen en opstaan en hadden maar weinig uit te staan met het voorbeeld uit de Oudheid, zo blijkt uit een aantal historische studies.

Als Athene de Olympische Spelen mag organiseren, meneer Samaranch, zorgt u er tegen die tijd dan wel voor dat u nog in de buurt bent om de rommel op te ruimen? Aldus een prominent lid van het Internationaal Olympisch Comité in 1990 kort voor de verkiezing van de stad die de Spelen van 1996 mocht organiseren. Een eeuw na de eerste moderne Olympische Spelen in Athene, was die stad een voor de hand liggende kandidaat, vond ook IOC-voorzitter Samaranch. Zijn collega's vonden van niet: Athene (en trouwens ook Belgrado) werd gepasseerd ten faveure van Atlanta – de Amerikaanse stad die zijn faam vooral ontleent aan de ter plaatse geproduceerde frisdrank Coca-Cola.

Die keuze, destijds vooral gezien als een gênante knieval van de ooit idealistische olympische beweging voor de commercie, wordt verdedigd door de Britse journalist David Miller in zijn boek Athens to Athens. Verwonderlijk is dat niet, want het gaat hier om `The Official History of the Olympic Games and the IOC', een in opdracht van het Internationaal Olympisch Comité gemaakt groot, dik en duur boek dat verscheen ter ere van de acht jaar vertraagde terugkeer van de Spelen naar Griekenland dit jaar. De pagina's zijn zo dik bedrukt met kleine letters dat weinigen zullen beginnen op pagina 1. Toch is dat wat je met Athens to Athens moet doen, want het is een uitstekend boek, dat om en om hoofdstukken wijdt aan de institutionele geschiedenis en aan de sportprestaties.

En, zeker in het begin, is het een boek met een echte held: Pierre de Coubertin (1863-1937), de bedenker van de moderne Olympische Spelen en een man die een nogal wereldvreemd idealisme koppelde aan een opmerkelijk doorzettingsvermogen. De nederlaag van Frankrijk in de Frans-Pruisische oorlog had hem ervan overtuigd dat zijn landgenoten waren verworden tot slappelingen die baat zouden hebben bij een meer fysieke, sportieve opleiding zoals die werd gegeven op de Engelse kostscholen. Zijn idee van éducation sportive combineerde hij met internationalistische idealen, wat uiteindelijk leidde tot het motto dat meedoen belangrijker is dan winnen en tot de doctrine dat de ware sportbeoefening door amateurs geschiedt. En door mannen, want transpirerende vrouwen vond hij geen apetijtelijk vooruitzicht.

Voor De Coubertin lag het voor de hand zijn hogere doelen te bereiken door een herneming van de Olympische Spelen uit de Oudheid. Daar kwam nogal wat projectie bij kijken, want die spelen hadden maar weinig te maken met De Coubertins idealen. De verschillen worden uiteengezet in Olympische Spelen in de Oudheid van M.I. Finley en H.W. Pleket, een standaardwerk uit 1976 dat nu door Pleket (Finley overleed in 1986) is herzien en geactualiseerd. Zij beschrijven niet alleen een wereld waarin winnen wel degelijk belangrijker was dan meedoen, maar waarin het zelfs eervol was om te winnen zónder mee te doen. Dat wil zeggen: zegevieren omdat alle anderen al voor het begin van de wedstrijd de benen hadden genomen. Finley en Pleket halen een worstelaar aan wiens tegenstanders zich al zouden hebben teruggetrokken `zodra hij zich had uitgekleed voor de match'. Van de andere component van De Coubertins olympische ideologie, het amateurisme, blijft ook weinig overeind: alle atleten `verwachtten en accepteerden' een materiële beloning voor een overwinning.

Oorlogsvoering

De faam van Olympische Spelen in de Oudheid is terecht: de opzet is helder, de toon is aangenaam en het geeft mooie inkijkjes in de werkwijzen van oud-historici, bijvoorbeeld wanneer het `verwarde beeld' van het verspringen wordt besproken. Er zijn afbeeldingen van atleten die springen met gewichten in hun handen: `Recente proefnemingen tonen aan dat [...] bij een sprong zonder aanloop, die met hoogstens twintig centimeter kan worden verlengd, terwijl de gewichten steeds de lengte van een sprong met aanloop verminderen.' Je ziet de heren historici voor je, in de achtertuin.

Cultureler in zijn invalshoek is Nigel Spivey's The Ancient Olympics. Hij heeft het niet in de eerste plaats over de feitelijkheden van het een krappe week durende festival van sport en religie dat vanaf 776 v. Chr. iedere vier jaar werd gehouden tot het (christelijke) verbod na de 291ste Spelen in 385 n. Chr., maar veel meer over de culturele betekenis ervan. Spivey haalt een citaat van George Orwell over sport aan (`War minus the shooting') om vervolgens aan de hand van Plato en Aristoteles aan te tonen hoe de klassieke sportbeoefening inderdaad een vorm van gestileerde oorlogsvoering was. Verrassender zijn de verbanden die hij legt tussen de passie van de Grieken voor sport en het gymnasium enerzijds, en anderzijds de idealisering van schoonheid door filosofen – vooral de schoonheid van jonge mannen.

Ook Spivey schrijft dat de olympische realiteit van de Oudheid weinig van doen had met wat De Coubertin er later van maakte. Hij besteedt ook aandacht aan de eerste Olympische Spelen `volgens de eisen van de moderne tijd' in Athene. Het net verschenen boek Olympics in Athens 1896 van de in Athene gestationeerde Engelse diplomaat en schrijver Michael Llewellyn Smith is daar zelfs helemaal aan gewijd. Hij plaatst de organisatie van de Spelen van 1896 in de context van het jonge koninkrijk Griekenland. Daar werden eerder in de negentiende eeuw al wedstrijden gehouden die men `olympisch' noemde, maar die niet bijzonder gestructureerd waren. Het vererende verzoek om de eerste moderne Olympische Spelen te organiseren, zorgde aanvankelijk voor paniek bij de Grieken: de staat was nagenoeg bankroet. Maar weigering het evenement te organiseren zou bewijzen dat de moderne Grieken geen waardige opvolgers waren van de Oude Grieken.

Uiteindelijk lukte het dankzij de inzet van de koning de Spelen te organiseren en tot een redelijk succes te maken, met 245 deelnemers uit 14 landen en een glorieuze Griekse overwinning van Spyridon Louis op de marathon. De Grieken waren zo blij dat ze probeerden de Spelen permanent in Athene te krijgen. Dat leidde tot ruzie met De Coubertin, die aan het langste eind trok.

Athene 1896 is ook het beginpunt van Athens to Athens, het officiële geschiedenisboek dat overigens niet verward moet worden met de goeddeels door foto's gedragen uitgave The Olympics. Athens to Athens (Weidenfeld & Nicholson, 360 blz. €49,95). De door Miller met precies voldoende ironie beschreven rommelige voor- en nageschiedenis van Athene 1896 past in een patroon: de beginjaren van de moderne Olympische Spelen bestonden uit een lange serie flaters en mislukkingen. Na Athene volgde een totale mislukking in Parijs (1900), waar wedstrijden verwerden tot onregelmatig optredende bijprogramma's van de wereldtentoonstelling en een nog groter drama in St. Louis 1904, dat als winnaar was gekomen uit een bikkelharde concurrentiestrijd met Chicago. Buitenlandse atleten kwamen daar nauwelijks, Miller heeft het over een `college or club tournament' dat zelfs voor sommige topatleten uit oostelijke Amerikaanse staten al te ver weg was. Wel waren er leden van `primitieve volken'. Die werden tentoongesteld. De Coubertin was woedend én had een voorzienende blik: `Die schandalige vertoning zal iedere aantrekkingskracht verliezen wanneer zwarte, rode en gele mannen leren rennen, springen en gooien, en de blanken achter zich laten.'

Affaires

De relatie tussen de VS en de olympische beweging was toch al dubbelzinnig: het enthousiasme voor sport in het land maakte de Amerikanen tot natuurlijke medestanders, maar tegelijkertijd hadden zij weinig op met de doctrine van het amateurisme. En ze wilden per se winnen, ook van elkaar. Neem Alvin Kraenzlein, die bij de tweedaagse verspringwedstrijd in Parijs 1900 eerst, op religieuze gronden, weigerde op zondag te springen, zoals al zijn landgenoten. Stiekem ging hij zondags toch naar het stadion. Daar verbeterde hij zijn sprong van de dag ervoor en passeerde zijn nietsvermoedende (en later woedende) joodse landgenoot Prinstein met één centimeter.

Athens to Athens staat vol met dat soort anekdotes. Dat Miller werkte in opdracht van het IOC is te zien aan de milde wijze waarop hij de intenties van alle betrokkenen behandelt: echte bad guys zijn er weinig, maar hij oordeelt streng over de misstappen van zowel de vroege als de late bobo's, die vooral in de tweede helft van de twintigste eeuw waren verwikkeld in politieke, corruptie- en dopingaffaires.

De Coubertin kon ontstellend naïef zijn. Hij verwachtte bijvoorbeeld dat oorlog in Europa wellicht zou uitblijven omdat de Duitse keizer Wilhelm zo van sport hield en er in 1916 Olympische Spelen in Berlijn zouden plaatsvinden. Toen de oorlog eenmaal was begonnen, wees hij voorstellen voor verplaatsing af. Uiteindelijk zou niemand in 1916 nog aan de spelen denken. Pijnlijker is hoe Miller de voorgeschiedenis beschrijft van de Spelen in Berlijn die wél plaatsvonden, die van 1936, met de goedgelovigheid waarmee de leden van het IOC na de machtsovername door Hitler de loze verklaringen accepteerden waarin deze zei dat joodse sporters in Duitsland geen strobreed in de weg gelegd zou worden.

Miller laat mooi zien hoe de combinatie van wereldvreemd idealisme en doorzettingsvermogen van De Coubertin zich heeft voortgezet in de geschiedenis van de organisatie die hij oprichtte. In de beginjaren betekende dit dat het idee van de Spelen ondanks alle praktische problemen overeind bleef staan. Nu wordt de ideologie van de Spelen nog steeds met de mond wordt beleden, al doet de praktijk nog minder denken aan de idealen van De Coubertin dan de voorloper van het evenement in de Oudheid.

David Miller: Athens to Athens. The Official History of the Olympic Games and the IOC, 1894-2004. Mainstream Publishing, 528 blz. €64,39

Michael Llewellyn Smith: Olympics in Athens 1896. The Invention of the Modern Olympic Games. Profile Books, 290 blz. €30,75

M.I. Finley en H.W. Pleket: Olympische Spelen in de Oudheid. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 215 blz. €15,95

Nigel Spivey: The Ancient Olympics. Oxford University Press, 274 blz. €23,90