De duivel is onze minnaar

In `The Apartment', die briljante overspelfilm vol vriendelijk cynisme, is het noodlot zelden een straf. `Er is niets tegen om berekenend te zijn, maar dan moet je wel kunnen rekenen'.

e geliefde heeft het object van zijn liefde nodig, of beeldt zich dat in, en wil op zijn beurt door dat object nodig worden gevonden. Maar niet zoals de zuigeling een verzorger nodig heeft. De zuigeling kan niet kiezen, hij wil drinken en wie hem te drinken geeft is hem om het even.

De geliefde kiest wel, of beter gezegd, iets in hem kiest. En belangrijker dan dat, hij wordt gekozen. Waren er nog maar twee mensen op deze wereld dan zou verliefdheid haar glans verliezen.

De verliefde wil thuiskomen of een hotelkamer binnensnellen en in haar armen vallen. Niet die van de buurvrouw of haar zuster, maar die van haar. Het gaat hem niet om de melk, maar om degene van wie hij de melk krijgt. Niets stelt hem zo gerust als de gedachte onvervangbaar te zijn. ,,Heb je me gemist?'' vraagt hij. Hij kent het antwoord al, maar voor de zekerheid wil hij het nog even horen.

God heeft de mensen niet nodig. Of zij zichzelf vernietigen of niet, of Hij ze moet straffen of clementie zal schenken, uiteindelijk laat het Hem koud. Hij heeft ze opgezadeld met de vrije wil, maar ook die kan Hem niet amuseren. De vrije wil doet Hem denken aan een casino dat zijn glamour decennia geleden heeft verloren. Er werkt nog maar één croupier met een houten been.

God kent geen pijn, en als het wel zo is dan is het een pijn die buiten het voorstellingsvermogen van de mensen valt. Zijn lijden heeft niets met het lijden van stervelingen te maken, zoals ook Zijn liefde voor de mensheid alle algemeen aanvaarde definities van liefde in diskrediet brengt.

Men zegt dat de geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars. En zo wordt de bijbel beschouwd als een werk van God. Als de stervelingen iets over Hem en Zijn bedoelingen te weten willen komen, kunnen ze dat boek openslaan. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat de duivel heeft gewonnen, dat de geschiedenis van de mensen zijn geschiedenis is, en de bijbel zijn testament.

Of misschien moet de duivel, die meest gekwetste van alle gevallen engelen, zijn antwoord aan God nog formuleren, en is hij bezig zijn boek te schrijven.

Een van de belangrijkste verschillen tussen beide grootmachten is hun behoefte aan mensen. Anders dan God laten ze de duivel niet onverschillig. De charmes die aan hem worden toegeschreven, zijn niet aflatende bemoeienis met de stervelingen, zijn neurotische verleidingspogingen, alles wijst erop dat hij niet zonder ze kan.

Als hij de mensen haat, dan niet omdat hij zo gemaakt is, omdat hij geen keus heeft, maar omdat hij anders dan God afhankelijk van ze is. Zijn agressie komt voort uit die afhankelijkheid. Hij verafschuwt dat wat hij niet kan missen. Dit besef verzwakt hem, put hem uit, maakt hem hulpbehoevend. Hij is de slang die naar Eva komt gekropen om haar telkens opnieuw te verleiden. En hij haat zichzelf, omdat hij de mensen kent. Net zo goed als God. Maar Die wil niets van ze.

Als het belangrijkste kenmerk van de geliefde is dat hij het object van zijn liefde nodig heeft, dan is het niet God die van ons houdt, maar de duivel.

En als het waar is dat liefde een onbaatzuchtig element in zich herbergt dan is het opnieuw de duivel die van de mensen houdt. Hij krijgt niets van ze. Ze geven hem niets. Op zijn best verachting.

Al Pacino speelde de duivel in de film Devil's Advocate. Het beste deel van die film is de monoloog die Al Pacino afsteekt tegen zijn zoon, de man die de duivel pappie moet noemen (Kenau Reeves). Monologen hebben altijd het beste in Al Pacino naar voren gebracht. Hooghartig, arrogant, woedend, gemeen, en toch balancerend op de rand van de machteloosheid, pleitend voor een zaak die al verloren is. Wanneer Al Pacino aan zijn monoloog begint is de val niet ver weg.

Namens de duivel vertelt Pacino dat hij de laatste humanist is, omdat hij de mensen niet veroordeelt. Hij geeft ze wat ze willen hebben. En hij verklapt wat zijn favoriete zonde is: ijdelheid.

Het woord `zonde' had de duivel niet moeten gebruiken. De laatste humanist had dergelijke woorden beter kunnen mijden. Hij had moeten spreken over zijn favoriete zwakheid. En is het niet zo dat juist die zwakheid, die ene ontroerende tekortkoming, ervoor zorgt dat de verliefdheid ontbrandt?

De duivel teert op de zwakheid van de sterveling, iets wat wel vaker voorkomt in liefdesrelaties. Aan de behoefte te horen hoe goed, mooi, knap en atletisch de mens is, aan die onverzadigbare eigenliefde, ontleent de minnaar van de mens zijn kracht.

Misschien is dat de kern, de waarheid van dat nodig hebben en nodig willen worden gevonden: teren op de zwakheid van de ander. Want de kracht van de ander is gevaarlijk, kan de geliefde doen beseffen dat zijn onvervangbaarheid op een misverstand berust, een mythe is. Blijf zwak, want zo blijf je afhankelijk. Van mij.

IJdelheid mondt uit in het sprookje van de onvervangbaarheid. De meest ondraaglijke gedachte voor een sterveling is dat hij slechts onvervangbaar is voor zichzelf. Daarom heeft hij de duivel nodig. Het enige wezen in het universum dat niet zonder hem kan, dat voor zijn zwakheid knielt, die zwakheid bestudeert en kietelt, ermee speelt als een kind met zijn knuffel. Hij is het die de mens doet vergeten dat alles neerkomt op het najagen van wind. Wellicht is het waar en tilt hij ze alleen maar op, opdat ze vervolgens dieper zullen vallen. Maar dan kan men ook van het leven zeggen, dat het niets is dan een uitvinding die de stervelingen even optilt om ze vervolgens dieper in de grot van de dood te stoten.

Die grote, onverzadigbare liefdesverhouding tussen mens en duivel is een gedoemde. De mens heeft een vermomming lief. De gebaartjes, de aandacht, de complimenten, die effectief zijn maar niets betekenen, want de duivel ziet niets dan zijn favoriete zwakheid: ijdelheid, allemaal misleiding. En hij op zijn beurt heeft een ziel lief die hij nooit kan krijgen, die hij alleen kan krijgen door haar te vernietigen. Hij bemint wat kapot moet.

,,Vrijheid'', zegt Pacino als de duivel, ,,is als je nooit meer sorry hoeft te zeggen.'' Vrijheid is kennelijk macht. Of misschien meer dan dat, een vorm van overmoed.

Zoals Albert Camus de oud geworden Don Juan beschrijft, zo zie ik de duivel voor me. Met het verschrompelde gezicht en het gemartelde lichaam van Al Pacino. Trillend van de Parkinson, lijdend aan slapeloosheid, vechtend tegen een gebit dat niet meer goed blijft zitten, zich afvragend hoe vers brood ook alweer smaakte en zonder een plek om heen te gaan, want doodgaan kan hij niet. Hij kan zich alleen naar zijn volgende slachtoffer slepen die hij niets meer te bieden heeft en die hem niets meer kan geven.

Of in de woorden van Camus: ,,Ik zie Don Juan voor me in een cel van een van die Spaanse kloosters, die verloren op een heuvel staan. En als hij ergens naar kijkt, kijkt hij niet naar de schimmen van geliefden uit zijn verleden maar, misschien, ziet hij door een gloeiendheet schietgat een van de zwijgende vlakten van Spanje, een prachtig land zonder ziel waarin hij zichzelf herkent.''

Ook als de duivel terugblikt op zijn verleden ziet hij niets dan zichzelf.

De Don Juan in Billy Wilders film The Apartment (1960) – Wilder schreef zelf het scenario samen met I.A.L. Diamond – heet J.D. Sheldrake (Fred MacMurray). Directeur van een verzekeringsmaatschappij in New York, getrouwd, kinderen, woonachtig in een de voorsteden, alles precies zoals het hoort. Een man zo middelmatig als het maar gaat, met slechts één bijkomstigheid die niet middelmatig is, zijn functie. Wilder ontdoet de verleiding van haar vlees. Wat overblijft is een symbool, een icoon. De directeur.

Men neemt niet omdat men het wil, maar omdat men het kan krijgen, om Bill Clinton te parafraseren. Wat lonkt is de vrijheid die de duivel omschreven heeft als een toestand waarin je je voor niets meer hoeft te excuseren.

In Heinrich Manns roman Professor Unrat is het ook een symbool, een leraar aan een gymnasium in een kleine stad, die liefheeft, zich vergist en verliest. Hij valt voor een vrouw, heeft zijn begeerte niet meer in de hand en raakt alles kwijt. Het verschil tussen het cynisme van Heinrich Mann en dat van Wilder is groot.

Unrat is, ondanks al zijn tekortkomingen, ondanks zijn ijdelheid, een onschuldig mens. Bij Wilder bestaat die onschuld niet meer. Als de slaven van het bedrijfsleven iets zijn dan is het berekenend, wat ze overigens niet minder lieftallig en menselijk maakt. Berekening laat van de begeerte alleen een symbool over. Een bot.

Nu is er uiteraard niets tegen om berekenend te zijn, maar dan moet je wel kunnen rekenen. Waarom maken mensen fouten in hun berekeningen? IJdelheid der ijdelheden. Ze zien de ander niet. Al Pacino's duivel weet wat hij moet geven om te krijgen; de geliefde van Professor Unrat, Künstlerin Fröhlich, speelt een adequaat spel met de professor; bij Wilder is de duivel zo blind als de mens. Hij wil niet weten wie hij is en heeft daarom ook geen idee met wie hij te maken heeft. Van de wereld waarin hij leeft kent hij alleen de verzekeringspolis.

Wilder plaagt de toeschouwer door hun duivel, de kietelaar van hun ijdelheid voor te stellen als een fantasieloze ambtenaar die zijn aantrekkingskracht te danken heeft aan zijn klim naar de top van het verzekeringswezen.

Op de zevenentwintigste verdieping van een prachtig kantoor kijkt hij uit over Manhattan, maar hij ziet niets. Niet de leegte van het Spaanse landschap noch de leegte van Manhattan, hij is namelijk volmaakt tevreden, op één detail na. Hij heeft een appartement nodig om zich discreet in te kunnen terugtrekken met zijn geliefde. Ook hij.

Net als enkele van zijn collega's. Hotels zijn zo onpersoonlijk en duur. En de belofte dat je weldra je vrouw zult verlaten, dat het nog maar een kwestie is van een paar maanden, klinkt beter in een woning dan op een hotelkamer.

Wilder erkent dat het nodig hebben de belangrijkste eigenschap is van de geliefde. Maar hij doet een ontdekking. De minnaar heeft niet meer het object van zijn liefde nodig, dat is inwisselbaar. Alleen nog een plek, een huis, vier muren, een dak, een bed, een koelkast. Wat blijft van de liefde is het decor. Een decor met kaascrackertjes, want Wilder is realist genoeg om te weten dat verleiding een kwestie is van het juiste kaascrackertje op het juiste moment.

Ach, Billy Wilder is zo'n vriendelijke cynicus. Met zijn lieftallige stem, als een goedhartige opa, lokt hij de toeschouwer naar binnen en verklaart dan: wat ik u aan liefde aan kan bieden is woningnood.

Dat appartement is van C.C. Baxter (Jack Lemmon). Een kleine employé, werkzaam voor de verzekeringsmaatschappij van Sheldrake. Wilder toont het kantoor zoals Chaplin in Modern Times de fabriek. Als een anonieme jungle waar de werknemer oplost in een groter geheel, een collectief, als oploskoffie in heet water. Iemand steelt tijd van hem, maar als hij 's avonds thuiskomt weet hij met de tijd die niet van hem gestolen is niets aan te vangen.

Deze C.C. Baxter is een onopvallende vrijgezel, zonder al te grote verlangens en ambities.

Bij toeval heeft hij ontdekt dat zijn vrijgezellen-appartement goed dienst kan doen als rendez-voushuis voor enkelen van zijn collega's. Hoger geplaatste collega's uiteraard, die als de tijd rijp is een goed woordje voor Baxter kunnen doen. Promotie is het laatste overgebleven verlangen, de enige hoop op een toekomst die iets beter zal zijn, hoe marginaal dan ook.

Liefde werkt van boven naar beneden. Een hoger geplaatste verleidt een lager geplaatste. Dat de belangrijkste en aantrekkelijkste vrouw in The Apartment een liftboy is, is misschien geen toeval. Wilder ziet in liefde vooral sociale mobiliteit.

En zo wandelt de sleutel van Baxters appartement door dat enorme kantoor, van minnaar naar minnaar. En Baxter wacht geduldig, als het moet in de regen, tot ze klaar zijn. Hij is meegaand, hij past zich aan. Baxter is als een gelovige die de tien plagen deemoedig over zich heen laat komen, omdat hij weet dat hij ooit in een verre toekomst beloond zal worden.

Wat tegennatuurlijke liefde is wordt en passant ook vastgesteld. De liefde tussen een man die net zoveel of minder verdient dan zijn minnares. Men moet daar realistisch over zijn, een man die minder verdient dan zijn minnares is al half gecastreerd.

Op een dag wordt Baxter eindelijk bij Sheldrake geroepen op de verdieping waar alleen de uitverkorenen mogen komen. Baxter haast zich erheen. Hijgend bij het vooruitzicht dat de marginale verbetering van zijn leven er nu eindelijk aankomt.

Maar Sheldrake is niet geïnteresseerd in Baxter, maar in Baxters appartement.

Op het kantoor werkt een vrouwelijke liftboy, Fran Kubelik (Shirley MacLaine). Ze hebben een liftboy van haar gemaakt, omdat ze niet kon spellen. Veel werknemers begeren juffrouw Kubelik, ook C.C. Baxter op zijn eigen bescheiden wijze, maar ze is anders dan velen van haar soortgenoten onbereikbaar.

Snel blijkt waarom, juffrouw Kubelik wordt begeerd door de directeur. Wie zich verzekerd waant van de liefde van een halfgod is in die van de stervelingen niet meer bovenmatig geïnteresseerd.

En de directeur heeft nu ook de sleutel van Baxters appartement nodig, want juffrouw Kubelik mag niet kunnen spellen, ze heeft wel een eigen wil. Ze heeft genoeg van het decor van het overspel, hotelkamers, achterbanken van auto's etcetera, ze wil het decor van de echte liefde, het appartement.

Als halfgod moet je soms luisteren naar de wensen van de stervelingen, dat gevaar loop je als je je met ze inlaat.

De directeur heeft een van zijn vroegere minnaressen, mevrouw Olsen (Edie Adams) gepromoveerd tot zijn secretaresse. Juffrouw Kubelik is niet de enige, juffrouw Kubelik is een nummer in een rij, die Sheldrake meeneemt naar hetzelfde restaurant, die hij dezelfde beloftes doet, die hij zoet houdt met dezelfde verhalen over vrouw en kinderen die spoedig verlaten zullen worden.

Mevrouw Olsen ziet als Sheldrake's secretaresse al haar opvolgers aan zich voorbijtrekken. Verbitterd en wanhopig moet ze toezien hoe haar opvolgers jonger en mooier worden en zij ouder en eenzamer.

Een detail in deze film, deze Olsen, een detail in het leven van Sheldrake, en toch een hoogtepunt in The Apartment. In mevrouw Olsen zie je al het verdriet en de wanhoop van de afgedankte geliefde die niets meer is zonder het object van haar liefde. Die alleen nog haar woede heeft om zich aan te warmen, jaren oud al, die woede, maar hij wordt steeds weer opgewarmd. Woede om het verraad dat haar en haar fantasieën is aangedaan. Uiteindelijk is het een kwestie van tijd voor ze zal ontploffen en dat doet ze ook. Op een kerstfeest, oh die intense treurnis van bedrijfsfeestjes.

Olsen neemt juffrouw Kubelik apart en vertelt haar alles. In een paar woorden. Over haar voorgangers, en alle anderen die nog na haar zullen komen. En net als zij aan hetzelfde tafeltje in hetzelfde Chinere restaurant zullen zitten, met de directeur, en hetzelfde verhaal zullen horen. Kijk, zegt Olsen, nu ben je nog jong en mooi, maar bekijk mij. Dit is wie je zult worden. Ik ben je toekomst, verbitterd en eenzaam.

Het is mooi hoe terloops Wilder dit opneemt in zijn verhaal. De halfgod gooit achteloos geliefden weg en een van die geliefden ontploft in zijn gezicht. Wilder presenteert dit niet als straf, het noodlot is bij hem zelden een straf. De directeur was berekenend als ieder ander. Maar hij rekende niet goed.

Dan zit er voor juffrouw Kubelik weinig anders op. Ze doet een zelfmoordpoging in het appartement van Baxter, waar ze is achtergelaten door Sheldrake. Hij moest naar vrouw en kinderen om kerstmis te vieren.

Kubelik kan zichzelf niet vergeven, dat ze alles heeft geloofd, dat ze haar fantasieën over een knusse toekomst met de directeur heeft gedeeld met tientallen andere meisjes van de verzekeringsmaatschappij. Zelfs in haar bedrogen zijn is ze niet uniek, maar een nummer, een employé, zoals er zovelen zijn. En wat nog erger is: ze houdt ondanks alles nog altijd van Sheldrake.

Dat is bekend, tenminste sinds Shakespeare's Midzomernachtsdroom. Als het vuur de verliefde in de richting van de ezel leidt, zal hij blijven smachten naar de ezel, en in dat beest de mooiste en de beste zien.

The Apartment is een romantische komedie, en getrouw de wetten van dat genre ziet mevrouw Kubelik het licht en besluit dat C.C. Baxter uiteindelijk toch een betere keus is dan de directeur. Hij is tegenwoordig werkeloos, maar ook dat doet er niet meer toe. Dan maar een werkeloze.

Wilder is nooit zoetsappig.

Als Kubelik dan eindelijk bij Baxter in zijn appartement zit, met het kaartspel tussen hen in, om het potje gin rummy dat ze ooit zijn begonnen af te maken, en Baxter haar zijn liefde verklaart, antwoordt Kubelik, ,,shut up, and deal.''

Laatste woorden. En Wilder is erg goed in laatste woorden, zie Some like it hot, zie Sunset Boulevard.

Van de liefde is juffrouw Kubelik bekomen. Het verschil tussen overspel en echte liefde zit in nietige details. Met je minnares neuk je slechts, met je echte liefde speel je ook een potje gin rummy.

Hier laat Wilder zijn cynisme varen. In zijn wereld is een potje gin rummy al heel wat.

En in de wereld van de overige stervelingen misschien ook wel.

`The Apartment' is te zien in Filmmuseum Cinerama in Amsterdam en Filmhuis Den Haag.