Alleen het lamplicht geeft houvast

Wat A.F. Th. niet bereiken kon viel Jean Pierre Rawie als vanzelf in de schoot. Vijfentwintig jaar auteurschap bleek goed voor een lintje en een feestelijke verzamelbundel. Het is even wennen – burgerlijke rituelen en poëzie zijn voor mij niet organisch verbonden – maar nu het oeuvre in één band (helaas zonder lintje) ligt samengevat, is er zicht op het dichterschap van de Groningse bard.

Dat dichterschap is niet gering. Omdat het allemaal zo keurig rijmt, in braaf getelde versvoeten, en omdat het onderwerp zelden verder reikt dan wat eeuwenlang des dichters was, lijkt het raderwerk wat stoffig; maar kijk toch eens hoe fraai het tikt. Ik deel dan ook niet de mening van recensenten die Rawie naast Paaltjens plaatsen en dus niet `van deze tijd' vinden. Dat Rawie, zoals Jan Kal en Jan Kuijper, in de jaren zeventig houvast zocht in het corset van renaissancevormen als het sonnet, stoelde veeleer op fascinatie dan op regressie. En na vijfentwintig jaar is duidelijk dat zijn versificatie een eigen weg ging. Naast de poëzie van Kal (de populist) en Kuijper (de pionerende bricoleur) oogt het zwaluwstaartjeswerk van Rawie ambachtelijk klassiek. Maar wel met accenten van een andere eeuw dan die van Dante en Petrarca. Er is ook niet één geliefde die bezongen wordt; Rawie's oeuvre is een kerkhof vol minnaressen.

`Wanneer ik over het verdwijnen / van weer een zielsgeliefde treur,' is een aanzet die je typisch Rawie kunt noemen. Het zijn de openingsregels van `Interieur', waarin de dichter zich na weer een mislukte liefde opsluit achter de gordijnen en een vergrendelde deur. Er is, stelt hij, geen ander houvast dan het lamplicht op zijn schrijfmachine en de boeken in de boekenkast. Maar dan, in het derde kwatrijn, echoot de buitenwereld door de gordijnen heen het gemoed van de dichter:

Ik hoor de regen langs de ramen

en hoe een late motor start.

De liefdes gingen als zij kwamen.

Ik hoor de wind, en hoor mijn hart.

Dat is bijna te eenvoudig, maar ik zou niet weten wat er anders had kunnen staan, en dan wordt eenvoud kenmerk van het ware.

Het is verleidelijk om de eenvoud van Rawie naast die van J.C. Bloem te leggen. Menig criticus heeft dat ook gedaan en al doende ontdekt dat er heel wat regels van klassieke dichters meeklinken in het oeuvre van de Groninger. Dit geldt vooral voor het vroege werk. Het tiende gedicht van Het meisje en de dood, Rawie's debuutbundel uit 1979, is zeker schatplichtig aan Bloem. `October' heet het en de eerste regel luidt: `Mijn ramen staan opnieuw op nacht en najaar open.' Dat lijkt een parafrase van `Ik open 't raam en laat het najaar binnen,' waarmee Bloem `De gelatene' begon. Rawie doet ook niet geheimzinnig over zijn voorkeuren en voorbeelden. In het dagelijks leven lijkt hij een wandelende citatenbundel, en in zijn werk strooit hij met verwijzingen. `No second Troy' noemt hij het gedicht over een vrouw die best een tweede Troje zou verdienen. De Engelse titel is geen uiting van aanstellerij, maar onthult de bron: het gelijknamige gedicht van de Ierse grootmeester W.B. Yeats.

Rawie weet wat hij doet. Hij is zich ook bewust van het beperkte arsenaal waaruit hij put: dood en liefde, daarmee is zijn onderwerpkeuze wel samengevat. Of, zoals hij het in 1986 zelf verwoordde in het motto van zijn derde bundel, Kwade trouw:

Ik schrijf maar door aan één gedicht

waarin ik alles: liefde, jou

en zelfs de dood van kwade trouw

en onzorgvuldigheid beticht.

Mettertijd is Rawie's poëzie ernstiger geworden. In zijn vroege verzen is er dikwijls een geestige ondertoon. Ook in Kwade trouw klinkt die door, bij voorbeeld in het gedicht `Kerkhof'. Dat vers beschrijft het bezoek aan het graf van een geliefde. Het is even zoeken, `Want', zo stelt de dichter in een ironisch terzijde, `er wordt toch nog meer gestorven / dan je zou denken in zo'n stad.'

In een interview in Vrij Nederland noemde Rawie ironie de domste fout uit zijn dichtersleven. Maar ja: Ironie `was in de jaren zeventig de toon. Als iemand schreef: ik hou van jou, stond er altijd wel weer achter: zegt men in zo'n geval. Met de ene hand wegnemen wat je met de andere gegeven had. Ik ben erachter gekomen dat er door de vorm al genoeg afstand is en dat ironie als extra afstandschepper helemaal niet nodig is.' In Woelig stof (1989), Onmogelijk geluk (1992) en Geleende tijd (1999) is dan ook geen sprake meer van geestige veinzerij. Dat heeft zeker ook te maken met de door drank veroorzaakte pancreatitis, die Rawie op de rand van het graf bracht, maar het afscheid van de ironie is ook een daad van opperste trouw aan de vorm. Daarbij komt dat de dichter wel eens iets anders wilde dan een bij voorbaat al lachend publiek. Anders dan zijn vriend en stadgenoot Driek van Wissen, wenst Rawie ook niet van het maken van `light verse' beticht te worden.

Een aparte vermelding verdient het veertigtal vertaalde verzen in de laatste vier bundels. Rawie etaleert daarin niet alleen zijn praktische kennis van het Russisch, Italiaans, Roemeens, Spaans en Latijn, maar opent terloops ook een schatkist. Catullus, Aleksandr Blok, Lope de Vega en Jorge Luis Borges zijn geen onbekende namen, maar meer dan tien van de andere door hem vertaalde dichters staan niet in mijn boekenkast. Ook dat is een reden om de Verzamelde verzen van Jean Pierre Rawie te koesteren.

Jean Pierre Rawie: Verzamelde verzen. Bert Bakker, 269 blz. geb. (met cd) €25,–