`Al het moeizame valt vanzelf weg'

Waar Gerrit Krol werkt, maakt hem niet veel uit, vertelt hij in het laatste deel van een serie over schrijvers die deze zomer een boek voltooien.

Gerrit Krol heeft sinds enige jaren de ziekte van Parkinson. ,,Het is een ziekte met een grillig verloop. 's Ochtends ben ik beter op dreef, 's middags is het niet zo best. Ik vrees dat het toeneemt. Een krant vasthouden is moeilijker dan een boek. Als ik niet oppas geef ik de krant als een prop papier door aan mijn vrouw. De verfijnde bewegingen, daar krijg ik geen vat op. Gedichten schrijven past me nu beter dan romans. Mijn boeken zijn toch, ook al vergeet ik dat weer, met schuiven, plakken en knippen tot stand gekomen. Daar heb ik tien vingers bij nodig.'' Na een korte stilte: ,,Ik denk dat ik dit boek net op tijd af heb.''

Is er nog een boek dat hij graag zou willen schrijven? ,,Ja, een echt autobiografisch boek over de jaren zestig. Terug van ons eerste vijfjarige verblijf in het buitenland kwamen we terecht in de flowerpowertijd. Dat was een vreemde gewaarwording. Ik verbaas me er nog wel eens over dat we zonder kleerscheuren door die tijd zijn gekomen, een maalstroom van mode, sterke uitspraken, pressie, werkloosheid of juist weer te veel werk.''

Krol werd op 1 augustus zeventig jaar. Op de tafel in zijn huis, in het Drentse Oudemolen, ligt een verjaardagscadeau, Moby Dick. Krol is er in begonnen, vertelt hij, maar liever leest en schrijft hij boeken die je in één dag uithebt. Toch is zijn nieuwe en onlangs voltooide roman, Rondo Veneziano, omvangrijk geworden: 260 pagina's. Hij werkte er drie jaar aan, lang voor zijn doen.

Krol woonde samen met zijn vrouw twee maanden in Venetië om materiaal te verzamelen. Het verblijf financierde hij met het geld dat hij kreeg toen hij in 2001 de P.C. Hooftprijs ontving. In zijn werkkamer vertelt hij hoe zich in Italië voor het eerst de symptomen van de ziekte openbaarden. ,,Ik merkte dat ik sneller moe werd. Eerst dacht ik dat het aan al die bruggen lag. Een van de symptomen van de ziekte is dat je klein gaat schrijven. Dat begon daar al. Als ik kleiner ging schrijven haalde ik adem, ging rechtop zitten en begon opnieuw met grote letters. Toch werden de letters weer gauw kleiner. Wat blijkt nu, klein schrijven is een vertaling van je vermoeidheid. Als je kleine lettertjes schrijft, kun je er twee schrijven tegen de prijs van één. Het manuscript van mijn boek was haast niet te lezen. Soms moest de loep er aan te pas komen. Veel wat ik schrijf wordt getypt door mijn schoonzus in Friesland. Zij kon het gelukkig lezen en ze typt snel en foutloos.''

Ondanks alles was het schrijven niet moeilijker dan bij voorgaande boeken. ,,Ik heb al mijn boeken makkelijk geschreven.'' De schrijver denkt even na. ,,Hoewel, dat is niet helemaal waar. Als ik niet dieper in mijn herinneringen graaf, heb ik de illusie dat ik al mijn boeken vrij makkelijk geschreven heb. Als een boek goed in elkaar zit, als een boek overtuigt, dan valt al het moeilijke en alle strijd weg. Als alles voorbij is heb ik het idee dat ik het boek aus einem Guss geschreven hebt. Maar als ik het manuscript weer even inkijk, zie ik dat ik toch wel heb zitten knoeien.''

Krol studeerde wiskunde en werkte jarenlang bij Shell en de Nederlandse Aardolie Maatschappij. Hij debuteerde in 1962 met De rokken van Joy Scheepmaker. Daarna verscheen een veelvoud aan romans, essays, gedichten en verhalen. In Rondo Veneziano is een belangrijke rol weggelegd voor een onopgelost wiskundig probleem, de Riemann-hypothese uit 1859. Krol legt uit: ,,Riemann stelt dat bij een bepaalde wiskundige functie, de zeta-functie, de nulpunten, de wortels van de vergelijking, allemaal op een rechte lijn liggen. Je kunt het vergelijken met een ballenkanon dat ze bij tennis gebruiken. Het kanon schiet harder of minder hard, maar de ballen komen allemaal op dezelfde lijn terecht. Wiskundigen hebben de hypothese van Riemann op heel veel getallen uitgeprobeerd, en tot nu toe blijkt zijn vermoeden altijd uit te komen.''

Het boek telt twaalf hoofdstukken en speelt zich af op een wiskundig congres in Padua. De hoofdpersoon, het wiskundig genie Pipper, is de enige gast zonder academische titel. Aan het slot van het boek krijgt Pipper een groot inzicht. ,,In Göttingen, sinds de negentiende eeuw het Mekka van de wiskunde, ziet hij in welk getal de Riemann-hypothese kan falsificeren. Het is een afschuwelijk groot getal, bedacht door de wiskundige Skews.'' Krol suggereert in zijn roman dat dit getal – tien tot de macht tien tot de macht tien tot de macht tien tot de macht vierendertig - de eerste tennisbal is die níet op de lijn valt. ,,Je kunt het nog beter vergelijken met een lange rechte spoorrails, die op een bepaald moment ineens tien centimeter is verplaatst. Niemand ziet het, maar Pipper wel.''

Krol wil zo dicht mogelijk bij de wiskundige waarheid komen en weigert concessies te doen ten gunste van de toegankelijkheid. ,,Het boek moet natuurlijk wel leesbaar zijn, maar ik wilde voorkomen dat ik een roman zou schrijven over een wiskundig probleem waarin het probleem zelf niet werd behandeld, alleen de romantiek ervan.'' Met de hulp van zijn broer verdiepte Krol zich in de Riemann-hypothese en omschreef welke problemen deze oproept. ,,Het deed me genoegen dat ik een aantal horden, waarvan ik dacht dat ze bij de oplossing genomen moesten worden, later terugvond in publicaties van wiskundigen.'' Dat Rondo Veneziano door zijn mathematische vakgenoten niet zal worden gezien als de falsificatie van de Riemann-hypothese, vindt de schrijver niet erg. ,,Mijn roman is een product van de fantasie, maar ik doe niets liever dan die fantasie zoveel mogelijk vervangen door de waarheid.''

Is hij 's nachts weleens wakker geschrokken van een boek waar hij aan werkte? ,,Ik word nooit wakker van een boek. Toen ik nog bij de NAM werkte, ongeveer vijftien kilometer hier vandaan, was ik na het kleine autoritje naar huis alles kwijt wat ik die dag had gedaan. Ook als ik hier zit te werken, en ik ga 's avonds naar de huiskamer, dan ben ik als het goed is kwijt wat ik die avond heb geschreven. Als ik nog zit te piekeren dan ben ik te vroeg van mijn bureau opgestaan.''

Waar Krol werkt, maakt hem niet zoveel uit, als hij maar niet wordt afgeleid. ,,De snelheid van het schrijven hangt vooral af van drempels binnenin mij. Die kunnen heel hoog zijn.'' Na de twee maanden Venetië heeft hij zich afgevraagd of zijn verblijf daar noodzakelijk was. Uiteindelijk wel, denkt hij. ,,Omdat mijn vrouw en ik daar een beetje thuis waren, kon ik bij het beschrijven van de stad volstaan met minder woorden. Na vier keer een concert in een kerk te hebben bezocht, wordt zoiets deel van je leven. Dat kun je dan casueel omschrijven, niet alsof je er met open mond naar staat te kijken.''

De Venetiaanse couleur locale was niet direct van invloed. Krol: ,,Ik heb daar niet rondgewandeld om vervolgens met die lading thuis te komen en dat op te schrijven. Het beste kan ik blanco achter het papier zitten. Dan komt naar boven wat ik vorige week of vorig jaar ervaren heb, soms ook een jeugdherinnering van veertig jaar geleden. In Venetië werkte dat hetzelfde als thuis in mijn werkkamer. Weer teruggekeerd heb ik nog een groot stuk geschreven dat in Venetië is gesitueerd. Dat had ik niet geschreven als ik daar niet was geweest. Ik heb in Venetië veel geschreven, maar mogelijk weinig van blijvende waarde. En dat ik hier heb geschreven wat ik daar had kunnen schrijven, maar niet heb gedaan omdat ik er te dicht op zat.'' Hij schrijft dus over de plek waar hij juist niet is? ,,Ja, want als ik dan iets schrijf wat mij overtuigt, dan weet ik zeker dat het de lezer ook overtuigt.''

`Rondo Veneziano' moet in september verschijnen bij Querido.