Winstbelasting op haar retour

De minister van Financiën speelt voor Hans Brinker. Schatkistbewaarder Zalm heeft al zijn vingers nodig om gaten in de dijk van de vaderlandse overheidsfinanciën te stoppen. Op zijn instigatie zet het kabinet alles op haren en snaren om het tekort in 2004 en 2005 terug te dringen tot beneden de door de eurolanden afgesproken plafondwaarde van 3 procent van het bruto binnenlands product (ongeveer 14 miljard euro). Ook wie geen huishoudboekje bijhoudt, weet dat tekorten ontstaan wanneer de uitgaven hoger zijn dan de ontvangsten.

De financiële perikelen in Den Haag zijn niet veroorzaakt doordat de uitgaven van de overheid onbeheersbaar stijgen. Hoofdoorzaak van de beroerde situatie van de schatkist is dat de belastingen veel minder opbrengen dan waarop het kabinet meende te kunnen rekenen. Vorig jaar bedroeg de tegenvaller voor de fiscus niet minder dan 8 miljard euro. Dat de belastingen minder opbrengen, is vooral het gevolg van de slechte gang van zaken in de economie. Mensen verdienen minder, dus komt er minder loonbelasting en inkomstenbelasting binnen. Ook de gezinsbestedingen pakken lager uit, waardoor de opbrengst van omzetbelasting (BTW) en accijnzen achterblijft.

De grootste schuldige is echter de vennootschapsbelasting. De winstbelasting voor bedrijven bracht vorig jaar bijna 4 miljard euro minder op dan eerder geraamd. De bijdrage van het bedrijfsleven aan de financiering van de overheidsuitgaven holt achteruit. In 2001 was de vennootschapsbelasting nog goed voor 18 procent van de totale belastingopbrengst, het afgelopen jaar nog slechts voor 14 procent. Ook de tegenvaller bij de winstbelasting valt voor een deel toe te schrijven aan de tegenzittende conjunctuur.

Maar er is meer aan de hand. De belastingrechter heeft recent diverse uitspraken gedaan in het voordeel van bedrijven, waardoor de fiscus blijvend vele honderden miljoenen minder vangt. Bovendien lekt opbrengst weg door toenemende belastingconcurrentie. Landen bieden tegen elkaar op bij pogingen bedrijven en investeerders te lokken met hulp van fiscale tegemoetkomingen (vrijstellingen, aftrekposten) en door hun tarieven te verlagen. Deze douceurtjes gaan uiteraard ten koste van de schatkist.

Sommigen roepen het schrikbeeld op van een tax race to the bottom, waarbij landen nieuwe faciliteiten in het leven roepen en het tarief van hun winstbelasting steeds verder omlaag brengen. Om de race naar beneden te voorkomen, kunnen landen met elkaar afspreken de belastbare winst in de toekomst op dezelfde manier te berekenen. Na zo'n harmonisatie van de heffingsgrondslag – het bedrag waarover belasting wordt geheven – is het niet langer mogelijk dat landen bedrijven lokken met afwijkende vrijstellingen en aftrekposten. Eurocommissaris Bolkestein wil inderdaad proberen de eurolanden te bewegen tot afspraken over een uniforme grondslag voor de vennootschapsbelasting. Er is een precedent: al in de jaren zeventig van de vorige eeuw is de heffingsgrondslag van de BTW gelijkgetrokken.

De kans is evenwel groot dat de Europese Commissie bakzeil moet halen. De lidstaten hechten sterk aan hun fiscale autonomie. Mocht het desondanks lukken de grondslag van de winstbelasting op termijn te harmoniseren, dan zal de concurrentieslag zich toespitsen op het tarief. Bij de BTW zijn ook daarover Europese afspraken gemaakt. Een minimumtarief van 15 procent dient een halt toe te roepen aan grensoverschrijdend shoppen. Staatssecretaris Wijn denkt aan een vergelijkbaar minimumtarief voor de winstbelasting van 20 procent. Zo zou Ierland de pas worden afgesneden, dat nu bedrijven werft met een tarief van 12,5 procent.

Commissaris Bolkestein is faliekant tegen zo'n minimumtarief. Hij wil de belastingconcurrentie tussen de lidstaten juist aanwakkeren. Bij een uniforme heffingsgrondslag betekent een 1 procentpunt lager tarief dat ook daadwerkelijk 1 procent minder belasting verschuldigd is.

Ongebreidelde belastingconcurrentie via de tarieven heeft echter tot gevolg dat bedrijven niet langer meebetalen voor collectieve voorzieningen (onderwijs, infrastructuur) waarvan zij groot profijt hebben. Dat is niet gewenst. Voorlopig wordt de soep overigens nog niet zo heet gegeten als zij door sommigen wordt opgediend. In de meeste gevallen kiezen bedrijven hun vestigingsplaats vooral op basis van andere dan fiscale motieven. Maar Wijn heeft gelijk: landen in Europa moeten ook bij de winstbelasting toewerken naar een minimumtarief.

De staatssecretaris meent dat het tarief van onze vennootschapsbelasting (nu 34,5 procent) hoe dan ook snel omlaag moet, tot iets beneden de 30 procent. Die operatie kost een paar centen. De schatkist kan die niet missen. Minister Zalm komt al vingers te kort om alle gaten in de rijksbegroting te stoppen. Alleen door gelijktijdig de tarieven van andere belastingen te verhogen, valt het miljardengat te dichten dat ontstaat na een flinke verlaging van de winstbelasting. Politici zullen zich echter wel tweemaal bedenken, voordat zij de loonbelasting en de omzetbelasting verhogen om het bedrijfsleven in de watten te leggen. Voor die ingreep kan de doorsnee belastingbetaler en modale kiezer nu eenmaal geen enkel begrip opbrengen. Het alternatief is evenmin aantrekkelijk: een geleidelijke drainage van de schatkist, doordat ondernemingen steeds vaker de benen naar het buitenland nemen.