Tennis

Het wereldwijd populaire tennis kent een curieuze olympische geschiedenis. Van 1896 tot en met 1924 stond de sport met bal en racket op het programma, om vervolgens pas in 1988 weer terug te keren. Reden van de jarenlange absentie: de commercie. Tennis gold lange tijd als een elitaire sport, die spelers bovendien al in een vroeg stadium in staat stelde om (veel) geld te verdienen. Dat vloekte met de olympische gedachte, die tot begin jaren tachtig onlosmakelijk verbonden was met het heilig verklaarde amateurisme. Pas toen de ban op profsporters werd opgeheven, was de weg vrij voor een rentree. Maar veel profspelers, onder wie de Nederlander Sjeng Schalken, beschouwen zich nog altijd als een ongenode gast op het vierjaarlijkse sportfestijn, en mijden daarom `Athene'. Zij hebben elk jaar hun eigen Olympische Spelen, zo betogen zij, in de vorm van de vier grandslamtoernooien: Australian Open, Roland Garros, Wimbledon en US Open. Dáár zijn roem, dollars en computerpunten voor hun ranking te verdienen. Saillant detail: eerste olympisch kampioen was John Boland, een Ier die in 1896 als toeschouwer naar Athene reisde. Nederland won vier jaar geleden zilver in het vrouwendubbel, dankzij Miriam Oremans en Kristie Boogert.

Olympische sport sinds: 1988 (herintroductie)

Aangesloten landen cq. federaties: 191

Geregistreerde beoefenaars in Nederland: 708.700. Regerend olympisch kampioen: Jevgeni Kafelnikov (Rus/m) en Venus Williams (VS/v)