Tafeltennis

Rond 1890 ontstond tafeltennis in Engeland als een `after dinner'-alternatief voor tennis. In de begintijd fungeerde de deksel van een sigarendoos als racket en werd gespeeld met een bewerkte champagnekurk. Ivor Montagu, een student aan de universiteit van Cambridge, stelde in 1922 spelregels op voor `miniatuurtennis'. In 1926 richtten Oostenrijk, Engeland, Duitsland, Hongarije en Zweden de Internationale tafeltennisfederatie (ITTF) op en werden de eerste wereldkampioenschappen gehouden. Tafeltennis, in Seoul geïntroduceerd op de Spelen, was nooit een olympische demonstratiesport. Tegenwoordig telt de sport wereldwijd zo'n veertig miljoen beoefenaars in wedstrijdverband en wordt ook om prijzengeld gespeeld. Daarnaast spelen miljoenen mensen over de hele wereld tafeltennis op recreatief niveau. Mede door de geavanceerde batjes (met rubber en carbonvezels) vliegen de pingpongballen vandaag de dag met snelheden tot 160 kilometer per uur over de tafel, wat het uiterste van het reactievermogen van de spelers vergt. Sinds eind jaren '50 domineren Chinezen de sport. Op de Spelen ontbreekt het onderdeel gemengd dubbel, dat sinds 1926 wel op het WK-programma staat. In Athene doen Trinko Keen en Danny Heister mee namens Nederland.

Olympische sport sinds: 1988

Aangesloten landen cq. federaties: 195

Geregistreerde beoefenaars in Nederland: 38.291

Topland: China