Servië-Montenegro raakt niet van hymne af

Als straks in Athene een Serviër of een Montenegrijn een gouden medaille wint, zal hij bij de huldiging nog even moeten luisteren naar een volkslied waarvoor in de unie Servië-Montenegro niemand meer uit zijn stoel komt. Het unieparlement slaagde gisteren in Belgrado niet in zijn opzet, dat volkslied op de valreep van de Spelen naar de prullenbak te verwijzen – de prullenbak waarin in 1991 de Joegoslavische federatie al verdween.

De onder Tito in 1945 geïntroduceerde hymne Hej Sloveni (`Op, gij Slaven') is nooit populair geweest in Joegoslavië. Het volkslied is een gezongen oproep aan de Slaven zich te verenigen; het werd midden negentiende eeuw gecomponeerd door een Pool en geschreven door een Slowaak; de Polen gebruiken voor hun volkslied dezelfde melodie.

`Hej Sloveni' is na 1945 alleen gehandhaafd omdat er niets beters was. De Serviërs en de Kroaten werden het nooit eens over de tekst van een nieuw volkslied. Ze hebben voor zowel als na Tito's dood in 1980 de Internationale voorgesteld, Beethovens Vijfde, een partizanenlied, een popsong, ze hebben Slaven door Joegoslaven vervangen. Maar altijd waren er bezwaren. Zelfs na het afscheid van de Kroaten en de Slovenen, Macedoniërs en Bosniërs uit de federatie in 1991 lukte het niet.

De Serviërs, inmiddels met de Montenegrijnen eenzaam achtergebleven in hun unie Servië-Montenegro, hadden graag nog net voor de Spelen in Athene dat `Hej Sloveni' vervangen. Het lukte wéér niet: het parlement van de unie besloot gisteravond een normale in plaats van de door Servië gewenste spoedprocedure toe te passen bij de behandeling van het voorstel. De Montenegrijnse afgevaardigden – met name die van de Socialistische Volkspartij, de SNP, die in Montenegro tot de oppositie behoort – wilden meer tijd hebben om over het nieuwe volkslied na te denken. Dat betekent dat het debat pas na de Spelen wordt gehouden.

Het uitstel is eigenlijk het werk van patriarch Pavle, het hoofd van de Servische orthodoxe kerk. Hij maakte begin deze week luidkeels bezwaar tegen het nieuwe volkslied, en die kritiek trokken de Montenegrijnen van de SNP – voorstanders van de handhaving van de band met Servië – zich aan. Het nieuwe volkslied is een mix tussen het Servische lied Boze Pravde (God geve ons rechtvaardigheid), waarin God wordt opgeroepen naar ,,de stemmen van Uw Servische kinderen'' te luisteren, en het Montenegrijnse lied Oj, Svijetla Majska Zoro (O, heldere zonsopgang in mei), waarin ,,Moeder Montenegro'' wordt verzekerd dat ,,wij de zoons zijn van uw rotsen''. Pavle bestempelde het `dubbellied' als ,,een centaur waarin zowel de Serviërs als de Montenegrijnen worden bespot''. Erger: de gekozen versie van het lied is in 1937 gepubliceerd door Sekula Drljevic, ,,een van de meest duistere persoonlijkheden in Montenegro, een fascist en een nazi''.

Drljevic, geboren in 1885, voorstander van een onafhankelijk Montenegro, en in 1941 even zelfbenoemd voorlopig premier van Montenegro, was in de oorlog een bondgenoot van het fascistische Kroatië en het fascistische Italië. Hij werd na 1941 door Montenegrijnse monarchisten zijn land uitgegooid en naar Kroatië verbannen, waar hij mogelijk in 1945 is geëxecuteerd of vermoord. Zijn naam wordt door radicale Serviërs nog steeds als het summum van verwerpelijkheid in één adem genoemd met die van twee andere `vijanden', wijlen de Bosnische leider Alija Izetbegovic en de Kosovaarse leider Ibrahim Rugova.