Pas op! Anders ga je er onderdoor!

Van de Nederlandse deelnemers worden prestaties verwacht die soms onmenselijk zijn. Maar topsporter dient nu eenmaal altijd te winnen. Wat gebeurt er met verliezers?

Op z'n minst een olympiade lang in een tunnel leven geconcentreerd, geconditioneerd, geïsoleerd, gefascineerd en vooral geobsedeerd toeleven naar de ultieme prestatie. Altijd moeten. Want een topsporter die niet voelt dat hij moet, wint niet gauw. Het is niet meer dan een verplichting die hij zichzelf oplegt, zo lijkt het. Want wie zo graag pijn wil lijden moet maar pijn lijden, is de heersende opvatting.

Zo is het niet helemaal, weten talentvolle sporters die zich ten langen leste hebben opgewerkt tot topsporters, kampioens- en medaillekandidaten. Voor zij het beseffen zijn ze in de armen gevallen van mensen die willen meehelpen aan het succes en willen meedelen in de aanstaande triomf. Het begint bij ouders en familie wier trotsgevoel wordt aangesproken zodra blijkt dat een van hun telgen een potentiële winnaar is. Dan volgen omgeving, trainers, club, sponsors, nationale bond, het volk, de natie en de altijd ongeduldige media die graag aandacht en ruimte besteden aan de aanstaande kampioen. Aan supporters geen gebrek. Maar wie geeft `support' wanneer het kampioenschap niet is behaald? Wie heeft aandacht voor de verliezer die een olympiade lang in een tunnel heeft geleefd, ter meerdere eer en glorie van zichzelf, maar ook van het hunkerende volk en de media?

Stress met als gevolg depressiviteit is een volksziekte geworden. Degene die zich er nog niet door besmet weet, is te gevoelloos om het te erkennen. Te gesloten en te bang, omdat in een prestatiemaatschappij verliezers en zwakkeren al gauw verdoemden zijn. Verliezen is een zonde. Het is als met de wereld van voetbal, waarin machismo en sensitiviteit elkaar niet verdragen. Wie klaagt over overspanning van de geest moet niet zeuren, gewoon doorgaan. Wie klaagt over overspannen spieren, heeft zijn best gedaan en krijgt als beloning een schouderklopje en `de nodige' rust. De kwetsbare geest wordt weinig serieus genomen.

Topsporters hebben meer te doorstaan dan ze toegeven, meer ook dan de media en hun kijkers en lezers willen doen geloven. Wie niet wint, faalt. Wie niet aan de verwachtingen voldoet, faalt ook. Falen is een beladen begrip geworden, omdat het begrip verliezen niet meer toereikend is. Een winnaar is heilig, een verliezer een slachtoffer. Verliezen is onvergeeflijk, een vergissing is dom, een slechte dag geen excuus, wie aan de spanning bezwijkt is zwak. Voordat de topsporter het begrijpt of zijn coach wordt hij als gevolg van zijn fout overgeleverd aan de hyena's van de slagvelden.

Navraag bij enkele sportpsychologen leert dat in Nederland nauwelijks inzicht is in het mentale leed dat topsport aanricht. De ene psycholoog zegt het uit te zoeken, de andere zegt (mogelijk omwille van privacy) dat hem geen extreme gevallen bekend zijn van topsporters die tijdens of na hun loopbaan in psychische nood verkeerden. Zo gaan wij in Nederland om met potentiële helden die het niet waarmaken en zijn bezweken aan de spanning.

Hoewel ons wel eens berichten bereiken van sportmensen die `er' aan ten onder zijn gegaan, gedesocialiseerd zijn, reïntegratieproblemen hebben, moeten afkicken van doping en leefritmes, en last hebben van versleten spieren en gewrichten, overbelaste en beschadigde organen, mentale stoornissen met aanverwante eetstoornissen, geen zin in seks, geen zin in alles, gebrek aan opwinding, doet dat er in sportland weinig toe. Minderjarige turnstertjes die plotseling afhaken, tot teleurstelling van familie, coaches, sponsors en media. Wielrenners die zich al op jonge leeftijd drogeren en later nog jaren zoeken naar een menselijker leven. Leontien van Moorsel leed jaren aan anorexia, ze ging onder, worstelde en kwam boven zoals een natuurtalent betaamt. Leontien zou meer moeten kunnen vertellen wat zij heeft doorgemaakt. En dan: Marianne Timmer, aanbeden en verguisd, of Inge de Bruijn, gekroond en afgezet omdat ze `lastig' is – er moet meer gerepareerd worden dan geproduceerd. En zo meer.

Joop Alberda is de man die bij het Nederlands Olympisch Comité is aangesteld om Nederland aan zoveel mogelijk olympische medailles te helpen. Hij gelooft dat Nederlanders meer kunnen dan ze denken. Hij wil Nederlanders aansporen tot meer dadendrang en wil om te winnen. Alberda is een idealistisch man. Maar in zijn kielzog trekt hij mensen mee die niet beseffen wie zij aanzetten tot prestaties. Zoals sponsors en politici die er slechts op uit zijn goede sier te maken met kampioenen, en de verliezers aan hun lot overlaten. Of zouden premier Balkenende en zijn staatssecretaris van sport, Ross, ook ongelukkige verliezers ontvangen om ze als gevallen helden te eren voor hun inzet? Niet dus. Nederlandse verliezers zijn slecht voor het imago van het Nederlandse volk. Het superioriteitsgevoel dat veel Nederlanders zich (onder invloed van media en commercie) aanmeten, is vernietigend voor kwetsbare mensen als topsporters. Gebrek aan begrip is dodelijk voor het naïeve sportkind.

In Sports Illustrated stond vorig jaar een artikel dat enig inzicht verschaft in het mentale leed dat veel sporters moeten doorstaan. Het quotum gebruikte antidepressiva onder topsporters overtrof het (vermeende) quotum aan stimulerende middelen. Atleten, skiërs, football-spelers, honkballers, basketballers, golfers, kunstschaatsers melden zich in opmerkelijk groten getale bij psychiaters wegens pogingen tot zelfdestructie of worden ernaar verwezen wegens `afwijkend' gedrag. Links en rechts een zelfmoord, vaak een langdurige psychiatrische behandeling van sporters die niet begrijpen dat juist zij de weg kwijt zijn, depressief zijn geworden en de wereld niet meer aankunnen. Me? Depressed? How could that be? I'm an athlete!

Het artikel vermeldt onder meer Jim O'Shea, een sleetjerijder die in Salt Lake City olympisch kampioen werd. Hij won, maar emoties toonde hij niet hij wist niet meer wat emoties zijn, had hij nooit geleerd en ervaren, stoer als zijn familie was en trok zich terug in zijn eigen wereld vol eenzame ervaringen. Met als gevolg zware depressies. Skister Picabo Street, een eenzame kampioene zonder liefdesleven, football-spelers die zich isoleerden of voortdurend als een masker een zonnebril droegen uit angst voor media en andere ongewenste aandacht. IJshockeyspelers die geen ijs en puck meer konden zien, fobisch als ze waren geworden. Bokser Mike Tyson ontspoord, terug in het spoor, weer ontspoord die in de gevangenis belandde. Een gebroken been wordt geaccepteerd, een gebroken hart wijst op mentale zwakheid. Wie niet tegen stress kan, moet verdwijnen. Een topsporter dient immers altijd te winnen.

Stelt u zich eens voor: ik ben marathonloper, in elke wedstrijd die ik de afgelopen vier jaar heb gelopen eindig ik bij de eerste twintig. Ik ren elke dag minimaal twee uur, ga naar de sportschool voor krachttraining, eet en drink wat ik moet eten en drinken, slik voedingssupplementen, ga vroeg naar bed, verwaarloos het seksleven van mij en mijn vrouw, drink vier glazen wijn per week, gehoorzaam mijn trainer, mijn sponsor en mijn omgeving (`wanneer win je weer eens?'), geef twee keer per maand een interview (dat moet van mijn sponsor), ga twee maanden naar de Alpen om te trainen en word voor de televisie gepresenteerd als dé kanshebber voor een medaille. Op de dag van de ultieme wedstrijd ben ik te gespannen, mijn maag houdt het eten niet binnen, de voedingssupplementen werken niet, de spanning slaat in mijn lijf, de mentale speech van de sponsor, de regeringsleider en mijn vader thuis jagen mijn adrenaline over de grens. Ik ben geen normaal mens meer!

Ik verlies. Televisie en radio vangen mij op, indien ze nog geïnteresseerd zijn. De rest laat me vallen. Ik heb verloren, het wordt mij kwalijk genomen. Een foutje, een slechte dag, slechte nacht, verkeerde voeding, spiertje dat protesteert, onverwerkt jeugdtrauma dat zich openbaart tijdens de wedstrijd, verloren liefde, hersens die niet meer werken, benen die zwabberen, hitte, vocht, toeval, mijn leven is een quiz. Ik word afgemaakt, verstoten, niet meer waardig om te leven. Ik besta niet meer!

Poging tot zelfmoord onder topsporters in de Verenigde Staten komt voor, zoals Sports Illustrated meldt. Ook in Nederland dreigen topsporters aan de noodrem te trekken (of deden het?). Onbekend is wie en hoeveel. Maar ze bestaan, ook hier. Waarom weten we dat niet?

Hoe zich te verweren tegen de risico's van het sportleven? Het is te gemakkelijk te zeggen: `Begin er niet aan'. Meer dan de helft van de sporters en ex-sporters is tevreden, heeft ervan geleerd en zegt dankzij hun sportervaring klaar te zijn voor het `echte' leven. Ik geloof het niet dat was vroeger toen topsporters nog niet onder druk stonden. Vorig jaar lanceerde Frank Heckman, een organisatievernieuwer, bewegingsdocent met jarenlange ervaring in de Amerikaanse sport, het project `Reis van de Held'. NOC*NSF profiteerde dankbaar van zijn kennis en bevlogenheid en organiseerde met hem clinics voor olympiërs en coaches. Sessies waarin `instrumenten, processen en technieken' werden aangereikt om prestaties te verbeteren, te analyseren en te verwerken. Aan de hand van de stappen `De start van de reis', `Koers zetten', `Reisgenoten', `De tegenslag', `De laatste etappe', `Heldenverhalen' en `De terugkeer van de held' werden sporters en coaches wegwijs gemaakt in de mentale voorbereiding op het ultieme sportmoment, de olympische finale. Het plan is na de Spelen bij de clinic `De terugkeer van de held' in oktober de postolympische ervaringen te delen.

Ex-sporters als de schaatsers Eric Heiden en Ard Schenk, de vaak geblesseerde voetballer Youri Mulder, coaches, pyschologen werd gevraagd hun ervaringen en inzichten te delen met de olympiërs. Of de clinics successen garanderen, is de vraag. Belangrijker is de vraag hoe de deelnemers terugkeren, als gevierde of als gevallen helden. De postolympische depressie hangt als een donkere wolk boven Nederland.