In de wachtkamer

Eens in de vier jaar geven ze elkaar de hand, de niet-olympische sporten die verenigd zijn in hun frustratie. Hun evenement draagt de pretentieuze naam World Games, maar is niet meer dan een doekje voor het bloeden. En dat beseffen de karateka's, de waterskiërs en hun vele lotgenoten zelf ook. Wat geldt voor atleten, bestuurders en begeleiders, dat geldt voor de sport die zij vertegenwoordigen: wie mag opdraven bij de Olympische Spelen, telt mee. Thuisblijvers zijn verliezers, en zo voelen ze zich dan ook, de representanten van de niet-olympische sporten.

Al jaren proberen ze toegang tot het walhalla te verkrijgen. Zonder succes. Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) houdt de deur gesloten. Meer dan een plaatsje in de wachtkamer, in de vorm van de weinigzeggende `olympische status', zit er niet in voor de 28 naar erkenning hunkerende sporten.

Slechts twee daarvan maken serieuze kans om in de aanloop naar de Spelen van 2012 opgenomen te worden in de olympische familie, en dat zijn niet toevallig sporten die wereldwijd veel (tv-)aandacht genereren: golf en rugby. Beide maakten in het afgelopen decennium een forse groei door, en kunnen rekenen op een grote schare fans. De major-toernooien (golf) gelden als hoogtepunten op de sportkalender, het wereldkampioenschap rugby is het op drie na (Olympische Spelen, WK en EK voetbal) grootste sportevenement ter wereld.

Golf verdween in 1904 van het olympische programma, rugby moest twintig jaar later het veld ruimen. Topspelers als Tiger Woods hebben al toegezegd hun opwachting te zullen maken, mocht golf over acht jaar zijn olympische rentree maken. Diezelfde geluiden vielen in het rugbykamp te beluisteren, ook al is slechts de snelle en dynamische zevenmansvariant (Sevens) in beeld bij het IOC. De oorspronkelijke vijftienmansvariant past, populair of niet, niet in het olympische format: te weinig toplanden, en fysiek zo veeleisend dat het toernooi onmogelijk in twee weken kan worden afgewerkt. Bovendien zou toelating van het `oerrugby' een forse uitbreiding van het aantal deelnemers betekenen, en dat is het laatste wat het IOC wil.

The Olympics zijn immers uit hun jasje gegroeid. Sinds de eerste naoorlogse editie, die van 1948 in Londen, is het aantal sporten almaar toegenomen (van 17 naar 28), en (dus) het aantal deelnemers (van 4.092 naar 10.651) en het aantal deelnemende landen (van 59 naar 201). Gevolg: een monstrueus evenement, dat langzaam maar zeker onder het eigen gewicht dreigt te bezwijken.

IOC-voorzitter Jacques Rogge, in zijn jonge jaren zelf een fanatiek rugbyer, heeft er sinds zijn aantreden (2001) geen twijfel over laten bestaan: ,,Het plafond is bereikt.'' Groter dan de huidige opzet en omvang mogen de Spelen onder geen beding worden: 28 sporten, 300 medailleonderdelen en 10.500 atleten. ,,Nieuwe sporten komen alleen in aanmerking als andere afvallen.''

Aan kandidaten geen gebrek. Op de schopstoel zitten nu drie sporten: honkbal, softbal en de moderne vijfkamp. Alle drie hebben ze een waarschuwing gekregen, en alle drie zijn ze nog slechts onder voorbehoud welkom in Athene en, over vier jaar, in Peking. Tegen die tijd moeten de drie aangetoond hebben volwaardig lid te zijn van de olympische familie. Zo niet, dan volgt uitsluiting. De laatste sport die dat noodlot trof was het elitaire polo, dat na 1936 (Berlijn) van het programma werd geschrapt.

Drie criteria hanteert het IOC: wereldwijde populariteit, de kosten en de duurzaamheid van de olympische accommodaties en, tot slot, de aanwezigheid van topatleten. Honkbal is een sport met een beperkt bereik: slechts in (delen van) Azië en Noord- en Latijns-Amerika geniet het (grote) populariteit, daarbuiten is het een relatief kleine en bescheiden sport. De kosten voor de bouw van een honkbalstadion zijn hoog, en wat moet een niet-honkbalnatie als Griekenland straks met een peperduur honkbalstadion? Tel daarbij de afwezigheid van de tophonkballers die geen vrijaf krijgen van hun machtige werkgevers uit de Noord-Amerikaanse profcompetitie, en de scepsis onder de IOC-leden is begrijpelijk.