Geen halfslachtige compromissen meer

De huidige economische malaise vraagt om snel en structureel ingrijpen. De tijd van polderen is voorbij. We moeten nu harde maatregelen treffen, die stoelen op harde cijfers, meent Tijo Collot d'Escury.

In de jaren '90 was de economische groei in Nederland met gemiddeld 3,2 procent een van de hoogste van de westerse wereld en ruim boven het EU-gemiddelde van 2,5 procent. In de afgelopen jaren is die leidende positie echter ingeruild voor een positie onderaan de ranglijsten met een economische krimp van 0,7 procent in 2003 als voorlopig dieptepunt.

Bij de concurrentiekracht zien we eenzelfde ontwikkeling. Terwijl Nederland in 2001 nog hoog in de competitiveness rankings prijkte, zijn we anno 2004 afgezakt naar een plaats in de achterhoede. Ook de oplopende werkloosheid baart zorgen: van 2,4 procent in 2001 naar 4,5 procent in 2003 tot ruim 6,6 procent op dit moment.

Hoewel dit percentage nog ruim onder het EU-gemiddelde ligt, is de groei van de Nederlandse werkloosheid wel de grootste in Europa. In 2002 telde Nederland 6,5 miljoen voltijdbanen op een potentiële beroepsbevolking van 10,9 miljoen mensen. Dit houdt in dat slechts 60 procent van het arbeidspotentieel werd benut, tegenover 68 procent in de VS. De officiële Nederlandse participatiegraad van 74 procent doet beter vermoeden. Dit verschil schuilt in de verborgen werkloosheid en wordt verklaard door het te hoge aantal (44 procent) parttime werkers (het EU-gemiddelde ligt op 18 procent) en het geringe aantal uren per werkweek (gemiddeld 31 in Nederland tegenover 37 in de EU). De resterende 26 procent van het arbeidspotentieel is volledig onbenut: ongeveer 12 procent kiest hier zelf voor in de vorm van (familie-)zorg, opleiding of VUT, terwijl de resterende 14 procent een uitkering ontvangt wegens arbeidsongeschiktheid of werkloosheid.

Langer en productiever werken. Om met het buitenland te kunnen concurreren, moet de Nederlander langer en productiever gaan werken. De overheid zou daarbij het goede voorbeeld moeten geven. Haar arbeidsproductiviteit, met een 19 procent lagere waarde dan het gemiddelde in Nederland, is echter helemaal dramatisch. De slechte benutting van de potentiële beroepsbevolking komt ook naar voren in de arbeidsproductiviteit: per gewerkt uur bedraagt die in 2003 nog 113 procent van het EU-gemiddelde, per werkend persoon is de productiviteit slechts 95 procent van datzelfde gemiddelde. En die arbeidsproductiviteit daalt ook al jaren. De gemiddelde Nederlander presteert dus minder dan de gemiddelde Europeaan en veel minder dan bijvoorbeeld de Belg met een score van 120 procent.

Hier moet zo snel mogelijk worden ingegrepen: de overheid moet niet alleen kaders inrichten om banen te scheppen, maar ook de arbeidsparticipatie verhogen. Dat kan door het inkomensverschil tussen arbeid en uitkering te verruimen, door het minimumloon en de sociale premies te verlagen, door het wegnemen van drempels om vanuit een uitkering aan het werk te gaan, door het aanmoedigen van arbeidsparticipatie en voltijdwerk en door CAO's af te spreken op basis van productiviteit in plaats van op aanwezigheid.

Ook op het gebied van kennis en innovatie loopt Nederland achter bij het buitenland. Slechts 5,2 procent van het bruto binnenlands product (bbp) werd in 2001 aan onderwijs uitgegeven, wat 0,9 procentpunt onder het OESO-gemiddelde ligt en zelfs 1,8 procentpunt onder koploper VS. Dit verschil komt neer op een investering van maar liefst 8 miljard euro. De 700 miljoen euro die de huidige regering wil investeren, is dus bij lange na niet genoeg. Het is dan ook niet vreemd dat in Nederland maar 24 procent van het arbeidspotentieel hoger opgeleid is, terwijl dat in de VS de helft meer is.

Bij innovatie en ondernemerschap zien we hetzelfde beeld. Nederland besteedt in 2002 aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) 1,9 procent van het bbp, terwijl Zweden 4,3 procent voor innovatie overheeft. Een inhaalslag op dit gebied zal een investering van 10 miljard euro vergen. Deze inhaalslag moet ook snel beginnen, want de afgelopen jaren zijn de investeringen alleen maar afgenomen en het Barcelona-doel van 3 procent is nog heel ver weg.

Opvallend is dat vergeleken met andere landen juist de Nederlandse bedrijven achterblijven in hun investeringen aan R&D en onze publieke sector in veel mindere mate. Dit blijkt ook uit de werkgelegenheid in de kennisintensieve bedrijven, die met 4,1 procent van de totale werkgelegenheid ver beneden het EU-gemiddelde van 7,4 procent en koploper Duitsland (11,4 procent) ligt.

Meer prikkels, minder regels. Op het gebied van ondernemerschap blijft Nederland ook achter ten opzichte van de belangrijkste OESO-landen als het gaat om het percentage van de beroepsbevolking dat zich bezighoudt met het opstarten van een bedrijf. Hierbij spelen naast de economische situatie ook regelgeving en cultuur een belangrijke rol. De overheid moet daarom, buiten de extra investeringen om, innovatie en ondernemerschap bevorderen met prikkels en infrastructuur rondom private investeringen en startende bedrijven. Daarnaast moet zij regels wegnemen, zodat de huidige administratieve drempels aanmerkelijk verlaagd worden. Ondernemerschap is tenslotte de motor van de economie.

De bekostiging van al deze extra uitgaven dienen in de huidige overheidsuitgaven gezocht te worden. Deze waren in 2003 met 48,6 procent van het bbp een van de hoogste in Europa en dat terwijl de Nederlandse overheid niet bekendstaat als de meest efficiënte. Dit blijkt onder andere uit het aantal ambtenaren dat op rijksniveau drie maal hoger is dan in Groot-Brittannië. Een hoge administratieve lastendruk voor de private sector is het gevolg. Uit een Europees onderzoek blijkt dat bijna 50 procent van de Nederlandse bedrijven last zegt te hebben van overvloedige regelzucht. In andere Europese landen is dit ongeveer 30 procent.

Op het punt van de uitgaven aan sociale zekerheid is Nederland ook een van de koplopers in Europa met een last van 28,8 procent van het bbp. Opvallend is dat Zweden, bekend om zijn goed opgetuigde verzorgingsstaat, slechts 21,3 procent van het bbp gebruikt. Verder loopt Nederland op het gebied van milieubescherming al jaren voorop. In het kader van het Verdrag van Kyoto heeft Nederland zich nog eens verplicht tot een extra CO2-reductie van 6 procent. Deze extra stap kost de Nederlandse economie onevenredig veel geld. Zowel de milieubelastinginkomsten (3,8 procent van het bbp) als de overheidsuitgaven aan het milieu (1,1 procent van het bbp) liggen ruim boven het EU-gemiddelde van respectievelijk 2,7 en 0,6 procent van het bbp. Nederland heeft met deze investeringen vooral de uitstoot van NOx en SOx teruggebracht, terwijl de Kyoto-normen bepaald zijn op basis van de uitstoot van CO2 die de afgelopen jaren alleen maar gestegen is. Een verlaging van stikstof- en zwaveloxides leidt tot een verhoging van de CO2-uitstoot.

De efficiëntie van het Nederlandse beleid kan worden opgevoerd, zoals blijkt uit een vergelijking met Zweden. Dit land heeft nu al haar Kyoto-doelstellingen gehaald (CO2-uitstoot van 5,4 ton per Zweed tegenover 11,0 ton per Nederlander) en spendeert slechts 0,2 procent van het bbp aan het milieu. Deze efficiëntieslag zal Nederland een besparing van maar liefst 4 miljard euro opleveren.

Economische herstructurering. Omdat tevens rekening dient te worden gehouden met de vergrijzing en stijgende kosten voor de zorg, kan Nederland zich ook geen groter wordende staatsschuld veroorloven. Dit geldt des te meer als we kijken naar de staatsschuld per hoofd van de bevolking: deze is de afgelopen tien jaar toegenomen met 5 procent tot bijna 16.000 euro per persoon. Vooral de laatste jaren loopt het begrotingstekort weer op, wat betekent dat de reductie van de afgelopen jaren weer tenietgedaan wordt en dat de huidige problemen vooruit worden geschoven. De extra uitgaven van de overheid zijn dan ook alleen te rechtvaardigen als daar bezuinigingen tegenover staan. De overheid moet dan ook doorgaan met de herstructurering van de Nederlandse economie.

We moeten excellentie gaan belonen. Dat betekent onder meer het stimuleren van arbeidsparticipatie en productiviteit. Het hele sociale stelsel moet worden aangepast: geen afbraak, maar een grondige renovatie. Sociale uitkeringen moeten gericht zijn op het weer aan de slag krijgen van de bevolking. Het minimumloon moet omlaag en het verschil in inkomen tussen werk en uitkering moet omhoog.

Dit alles dient gepaard te gaan met een grote efficiëntieslag, met terugdringing van regelgeving en een efficiëntere inzet van geld voor bijvoorbeeld milieubescherming. Dat kan voortvarend en met daadkracht. Niet langer polderen, geen halfslachtige compromissen meer. Nederland, handen uit de mouwen!

Tijo Collot d'Escury is Managing Partner van Roland Berger Strategy Consultants in Nederland. De cijfers in dit artikel zijn gebaseerd op een `benchmark'-studie van Roland Berger over prestaties van westerse economieën.