Een stiekem Europa is niet van deze tijd

Aan de Europese Unie kleeft de mythe dat het een stiekeme vorm van samenwerking is, bedoeld om de natiestaat te ontmantelen met slinkse methoden, bewust verborgen gehouden voor de argeloze burger. Professor Antoine Jacobs maakte dankbaar gebruik van deze mythe om zijn stelling te poneren dat er in de Europese Grondwet een Europees kernkabinet verstopt zit, door leden van de Conventie, zoals ikzelf, er wellicht bewust versluierd ingezet, zodat de burger het niet ziet (Opiniepagina, 9 augustus).

Nu is de mythe van het stiekeme Europa niet zomaar ontstaan. Dat heeft te maken met de versluierde manier waarop de initiatiefnemers van de Europese integratie hun plannen hebben opgezet. Het is begrijpelijk dat zij, binnen tien jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, niet openlijk konden aangeven dat zij ernaar streefden om een permanente lotsverbondenheid tussen de aartsrivalen Frankrijk en Duitsland tot stand te brengen.

Begrijpelijk dat zij het met kleine stapjes deden, zonder het einddoel aan een breed publiek voor te leggen.

Begrijpelijk ook, dat veel van de vervolgstappen verstopt zaten in verdragsteksten, zodat de interpretatie van die teksten door de Europese rechters een drijvende kracht werd van Europese integratie. Het Hof van Justitie bracht de integratie stapsgewijs verder. Regeringen en parlementen volgden dit op basis van de vage maatschappelijke consensus dat Europa goed was, niet op basis van een expliciet gemaakt en breed gedragen politiek programma.

Dit stiekeme Europa is niet meer van deze tijd. Op 12 mei 2000 gaf de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer met zijn Humboldt-rede de aftrap voor de discussie over de toekomst van de Europese integratie. Het einde van de Europese deling en de veranderde verhouding tussen burger en politiek dwong politici ertoe een antwoord te geven op de vraag: quo vadis Europa? De oude bezweringsformule om het publiek te overtuigen: ,,Laat het maar aan ons over, dan komt het goed'', was uitgewerkt, zonder dat een overtuigend alternatief was gevonden.

Maar over één zaak waren Fischer en allen die na hem spraken het wel eens: het doel van de Europese integratie moest helder worden gemaakt, Europa moest democratischer en transparanter worden, zodat de Europeanen zich door hun Europese overheid vertegenwoordigd zouden voelen en Europa moest een einde maken aan haar bestuurlijke onmacht, met name in het buitenlands beleid, bij de modernisering van de economie en bij de gemeenschappelijke bestrijding van de criminaliteit.

Vier jaar na de Humboldt-rede ligt er nu een nieuw Europees Verdrag ter tafel. En een nieuwe mythe dreigt te ontstaan. Volgens Jacobs is deze Europese Grondwet een schier onontwarbare kluwen van 300 pagina's juristerij, waar de burger geen wijs uit kan worden. Maar het grootste gedeelte is een opsomming van bestaand beleid, dus weinig relevant voor de oordeelsvorming.

Waar het om gaat is de opsomming van rechten die de Europese burger tegen de macht van de overheid moeten beschermen en de machtsverdeling tussen de lidstaten en de Unie en, binnen die Unie, tussen de lidstaten onderling. Alles bij elkaar nog geen 50 pagina's, waarvan de kern op één A4'tje is samen te vatten.

Is de Europese Grondwet een verbetering voor mij als burger, voor mijn land, voor Europa? Dat zijn de essentiële vragen die beantwoord moeten worden. Voor- en tegenstanders van de Grondwet zullen op deze vragen een antwoord moeten formuleren en daarmee mensen over de streep moeten trekken om vóór of tegen te stemmen bij het referendum.

Verstoppertje spelen kan dan niet meer, handig inspelen op anti-Europa-sentimenten, zonder daar politieke consequenties aan te verbinden, kan al evenmin. Vandaar dat de VVD, steeds fel bestrijder van de Europese Grondwet, bij het scheiden van de markt, zich alsnog tot voorstander ontpopte. Het referendum dwingt tot politieke eerlijkheid en dat alleen al is winst voor het Europese debat.

Het door Jacobs gevreesde Europese kernkabinet staat niet in de Grondwet, noch openlijk, noch verholen. De macht tussen de Unie en de lidstaten wordt straks zo verdeeld dat er sprake is van evenwicht tussen lidstaten en de instellingen van de Unie en evenwicht tussen kleine en grote lidstaten. Dat is altijd de kern geweest van de Europese politiek. Nieuw is het vervallen van de premisse dat de Unie steeds meer bevoegdheden van de lidstaten zal overnemen. Met de Grondwet is het streven naar een Europese superstaat zo dat streven ooit heeft bestaan voorgoed geschiedenis.

De functionarissen die Jacobs als leden van het kernkabinet ziet, zijn niets meer en niets minder dan dienaren van de Raad, zij handelen dus op rechtstreekse instructie van de Raad van Ministers, de verzamelde lidstaten. Deze Raad en meer nog de boven hem staande Europese Raad van regeringsleiders zal aan belang winnen en het machtscentrum bij uitstek worden. In die Raad zitten de voor burgers meest herkenbare politici, hun nationale ministers en regeringsleiders, die rechtstreeks op hun handelen kunnen worden aangesproken.

Omdat in de Grondwet ook het Europees Parlement zeer behoorlijk aan macht wint, zal er een nieuwe politieke dynamiek ontstaan, die de herkenbaarheid van de Europese politiek zeer ten goede zal komen.

De kleinere lidstaten moeten er daarbij voor zorgen dat de Europese Commissie niet tussen de wielen van dit spel vermalen wordt, waarmee ook meteen de zwakste steen van de Grondwet is benoemd. Hoe dan ook, het wordt minder stiekem.

Frans Timmermans is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de PvdA-fractie. Ook was hij lid van de Conventie voor de Europese Grondwet.

www.nrc.nl/opinie Artikel Antoine Jacobs.