De wraak van de Duitse geschiedenis

De actuele maandagdemonstraties in Leipzig en Maagdenburg zijn een bewijs voor de selectiviteit van het historische bewustzijn.

Op het eerste gezicht vertoont de situatie in 1989 en 2004 inderdaad overeenkomsten. In 1989 was Oost-Duitsland ook economisch failliet. De groei van het bruto binnenlands product was onder de nul gezakt, de investeringen gingen ten koste van de consumptie en het bestedingsniveau per hoofd van de bevolking was 33 procent ten opzichte van West-Duitsland. Bijna datzelfde patroon zien we nu in het oosten van Duitsland terug.

Is het verband dat de demonstranten met de Wende leggen daarom terecht? Dat ligt er maar aan hoe je de geschiedenis van de Wende interpreteert. Was het een opstand tegen onvrijheid of tegen economische uitbuiting? Voor de werklozen in Maagdenburg doet dat er weinig toe. Met of zonder politieke vrijheid, de gevoelde materiële nood is even erg. Maar het is absurd om de situatie nu met die van toen te vergelijken, in de eerste plaats wegens de rol die de PDS speelt. De partij van het afgedankte DDR-regime werpt zich nu op als voorvechter voor de huidige dissidenten en onderdrukten. Dat is een cynisch misbruik van de geschiedenis van de Wende, waarbij diezelfde partij, toen nog SED geheten, op 7 oktober 1989 tientallen demonstranten het ziekenhuis inknuppelde.

In de tweede plaats wegens de rol van de SPD. Een groeiend deel van deze partij komt in opstand tegen het regeringsbeleid. Oskar Lafontaine demonstreert vrolijk mee en probeert op die manier weer een machtspositie in de partij te verwerven.

Ook hier is de geschiedenis grillig. In 1989 was de West-Duitse SPD, met name Lafontaine zelf, fel gekant tegen de demonstraties. Tot de herfst van 1989 aan toe wilde de SPD niets van de dissidenten weten. De sociaal-democraten hadden hun kaarten op geleidelijke hervormingen en onderhandelingen met de Oost-Duitse machthebbers gezet. Zij hadden kritiek op de zogenaamde platte materiële behoeften van de Oost-Duitse bevolking en op het verlangen naar eenwording. Daarom werd de SPD bij de eerste vrije verkiezingen in maart 1990 in de DDR, en ook daarna, bij de eerste verkiezingen in het verenigde Duitsland, weggevaagd. De Oost-Duitsers wilden de eenwording en de D-mark. Daarvoor gingen ze de straat op. Niet de SPD, maar de CDU was daarbij hun bondgenoot.

Het beroep op het revolutionaire elan van 1989 is in de laatste plaats absurd vanwege het curieuze bondgenootschap tussen de PDS en het radicale deel van de SPD. De demonstranten van 1989 waren ervan overtuigd dat het socialistische ideaal eens en voorgoed was mislukt. Ze wilden een nieuw begin maken en de oude machthebbers aan de kant zetten.

De PDS en SPD, de toenmalige tegenstanders van de revolutie en eenwording, verkondigen nu een terugkeer naar een nooit bestaand verleden. Ze spiegelen de demonstranten een romantisch socialisme voor. Dat is de wraak van de geschiedenis: de Oost-Duitsers die in 1989 hun verenigde Duitsland kregen en dolgelukkig waren met hun begroetingsbonus van 100 mark, lijken dit inmiddels weer te willen inleveren voor de zekerheid van een baan zoals die in de DDR bestond. Het is jammer het historisch besef van de eigenlijke veroorzakers van het economische failliet van Oost-Duitsland zo snel is verdwenen. En er is ook geen Muur meer waartegen de publieke onvrede zich kan richten.

Beatrice de Graaf werkt aan een proefschrift over de betrekkingen Nederland-DDR.