Confrontatie met Al-Sadr naar climax

Muqtada al-Sadr heeft zijn aanhang opgeroepen door te vechten tegen de Amerikanen, zelfs als hij zelf niet meer leeft. In Najaf zijn Amerikanen volop in de aanval gegaan tegen de radicale geestelijke.

Gaat groot-ayatollah Ali Sistani, de meest prominente shi'itische geestelijke in Irak, vanuit een Londens ziekbed toezien hoe in de heilige stad Najaf een nieuwe martelaar wordt geboren? Eind vorige week reisde de groot-ayatollah met hartproblemen af voor medische behandeling in Engeland, en – toeval of niet – sindsdien is de confrontatie met de jonge, rebelse shi'itische leider Muqtada al-Sadr tot het kookpunt gestegen. Niet alleen in Najaf, waar Amerikaanse en Iraakse troepen een beslissend offensief hebben aangekondigd tegen Al-Sadr's Leger van de Mahdi (de verdwenen twaalfde imam van de shi'ieten), maar ook in Sadr City, de verpauperde, shi'itische wijk van de hoofdstad Bagdad waar eveneens de oproer smeult in de straten.

Anders dan de 73-jarige groot-ayatollah Sistani, en ook anders dan zijn vader, groot-ayatollah Mohammed Sadiq al-Sadr, geniet Muqtada al-Sadr (rond de 30) geen gezag onder het shi'itische establishment. Muqtada, prediker van een `echte' islamitische theocratie, is de zelfbenoemde kampioen van de kanslozen en recruteert zijn aanhangers onder de verpauperde jeugd. Muqtada kan die rol spelen sinds de verdrijving van Saddam Hussein omdat hij niet het geestelijke gezag, maar wel de naam en, belangrijker nog, het netwerk van koranscholen en liefdadigheidsinstellingen erfde van zijn vader. Die stierf, samen met twee van zijn broers, in februari 1999 in een spervuur van kogels, vermoedelijk afgevuurd in opdracht van Ba'ath-regime van Saddam.

Al direct na de Amerikaanse `bevrijding' van Bagdad begon Muqtada met de uitdeling van voedsel in Sadr City (genoemd naar zijn vader) en bewaakten zijn aanhangers er de openbare orde. Maar hij profileerde zich van meet af aan ook in meer gewelddadige zin, in preken (tegen de Amerikaanse `bezetter' en zijn Iraakse `handlangers') én in daden. Terwijl de Amerikaanse oorlog in Irak nog in volle gang was, liet Al-Sadr voor het eerst van zich spreken bij de moord op de liberale geestelijke Abdel-Majid al-Khoei in een heiligdom in Najaf. Khoei, telg van een invloedrijke en welgestelde ayatollah-familie, was door de Amerikanen en Britten uit ballingschap naar Irak teruggebracht om te helpen de shi'itische meerderheid op een pro-westerse koers te zetten, maar werd door medewerkers vermoord.

Daarnaast richtte Al-Sadr zijn pijlen op groot-ayatollah Sistani, geen enthousiast aanhanger van de VS maar wel bereid tot gesprekken en niet uit op een directe politieke machtspositie voor hem zelf. Zo liep vorig jaar oktober een acht uur durende veldslag tussen getrouwen aan Sistani en aanhangers van Al-Sadr in Karbala af in het voordeel van de groot-ayatollah. Maar die nederlaag heeft Muqtada niet van stuk gebracht.

Op termijn ligt de grootste uitdaging voor de huidige Iraakse interimregering en haar Amerikaanse beschermheer in de `sunnitische driehoek', van oudsher het machtscentrum van Saddams Ba'ath-partij, waar opstandelingen onder andere de stad Falluja in handen hebben. Maar de meest acute dreiging gaat nu uit van Najaf. Afgelopen april en mei was deze heilige stad ook al het toneel van strijd tussen de milities van Al-Sadr, en het Amerikaanse leger en Iraakse veiligheidstroepen. Dat geweld werd toen uitgelokt door de sluiting van de krant Al Hawza, de spreekbuis van Al-Sadr, en de arrestatie van een naaste medewerker van hem in verband met de eerdere moord op ayatollah Al-Khoei. Onder andere voor die moord willen de Iraakse autoriteiten Al-Sadr ondervragen, en daarom willen ook de Amerikanen hem oppakken. Het recht moet nu eenmaal zijn loop hebben.

Maar met de huidige escalatie is de inzet een stuk hoger geworden. De `aanpak' van Al-Sadr is de belangrijkste test voor de Iraakse interimregering sinds haar aantreden in juni, en de afloop bepalend voor haar geloofwaardigheid. Gisteren al gingen in de zuidelijke stad Nasiriya duizenden mensen de straat op om het aftreden van premier Iyad Allawi te eisen. Een `martelaarsdood' van Al-Sadr door Amerikaans vuur zou voor hem het slechtst denkbare scenario zijn: het zou shi'ieten én sunnieten in Irak verder verenigen en verharden in een afwijzen van een door de VS opgelegd bestuur over hun land. Anderzijds: het verder toelaten van machtsuitoefening door bandeloze milities in en rond de belangrijkste heiligdommen in Najaf zal het aanzien van de interimregering als daadkrachtig bestuursorgaan ondermijnen en opstandelingen aanmoedigen.

Premier Allawi heeft afgelopen zondag, op spoedbezoek in Najaf, nog geprobeerd uit deze `Catch-22'-situatie te ontsnappen door vervolging aan te kondigen van strijders die misdaden hebben begaan, maar , net als eerder, Al-Sadr een `politieke' oplossing voor te stellen met uitzicht op participatie in het toekomstige politieke proces in Irak. De shi'itische vice-president Ibrahim Jafaari ging gisteren een stap verder door de Amerikanen op te roepen zich helemaal terug te trekken uit Najaf en de bewaking van de openbare orde over te laten aan Iraakse eenheden.

Onduidelijk is hoe Jafaari's oproep zich verhoudt tot de opstelling van premier Allawi. Maar zeker is wel dat Al-Sadr zijn aanhangers vanochtend opnieuw bezwoer te blijven vechten, ook als hij gevangen is of de martelaarsdood is gestorven. En zeker is ook dat Amerikaanse troepen Najaf en het naburige Kufa zijn binnengetrokken en zich hebben geposteerd rond belangrijke heiligdommen. De moskeeën en andere heiligdommen binnentrekken, dat is een delicate lijn die de VS niet zullen overschrijden, zei een legerwoordvoerder.