Grens abortus ruimer dan VWS aanneemt

Nederlandse abortusartsen hanteren een ruimere grens voor het afbreken van zwangerschappen dan staatssecretaris Clémence Ross-Van Dorp (VWS) de Kamer vorige week heeft geschreven.

In antwoord op vragen van Kamerlid Rouvoet (ChristenUnie) over de abortusregelgeving en nieuwe medisch-technologische ontwikkelingen schreef Ross dat klinieken niet meer aborteren ,,bij vrouwen die 21 weken en enkele dagen zwanger zijn''.

In het televisieprogramma Nova zei gisteren abortusarts F. Willems, geneesheer-directeur van een Amsterdamse abortuskliniek, dat de uiterste grens in de praktijk bij bijna 23 weken ligt.

De huidige abortuswetgeving gaat uit van levensvatbaarheid als criterium voor de uiterste grens waarop abortus mag worden uitgevoerd. De levensvatbare leeftijd is medisch-technologisch gezien 24 weken, maar in de praktijk blijken sommige foetussen al bij 22 weken te kunnen overleven. ,,De abortuspraktijk heeft zich hierop aangepast'', aldus Ross, volgens wie abortussen na 21 weken en enkele dagen dan ook niet meer worden uitgevoerd.

Abortusarts F. Willems vertelde gisteren in Nova dat het ,,30 à 40 keer''per jaar voorkomt dat Nederlandse vrouwen bij 22 weken nog een abortus krijgen. Onder buitenlandse vrouwen, zo stelde hij, komt dit nog ,,veel meer'' voor.

De woordvoerder van Ross over abortus, R. Lancee, liet vanmorgen weten dat het antwoord van Ross niet bedoeld is ,,als een soort voorschot'' op de evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap, waarvan de conclusies begin volgend jaar worden verwacht en waarin mogelijk gepleit wordt voor andere grenzen aan de abortuspraktijk. ,,Wij hebben voor het antwoord van Ross een rondje langs een groot aantal abortusklinieken gemaakt en zij zeiden dat de grens in de praktijk op ruim 21 weken ligt. Wat niet wegneemt dat een abortus soms later gebeurt – wat de speciale regelgeving voor late zwangerschapsafbreking ook toestaat.''

Aanleiding voor de vragen van Rouvoet waren uitspraken van de Britse premier Blair. Hij stelde vorige maand dat de wettelijke grens aan abortus als gevolg van medisch-technologische ontwikkelingen moet worden aangepast. Rouvoet gaat de staatssecretaris nu om opheldering te vragen.

De Leidse neonatoloog F. Walther, die werkzaam was in de Verenigde Staten, vertelde in Nova hoe hij daar op de afdeling neonatologie kinderen binnen zag komen die bij een abortus in leven waren gebleven. Neonatologen leggen de lat voor zinvol medisch ingrijpen overigens bewust hoger dan medisch-technologisch zou kunnen. Onderzoek heeft onder meer uitgewezen dat 60 procent van de kinderen die bij 24 weken in leven worden gehouden alsnog vroegtijdig overlijdt, en dat de helft van de kinderen die blijven leven ernstig gehandicapt blijft. In de praktijk geldt daarom eerder een grens van circa 25 weken voor behandeling.

Abortusarts F. Willems noemt het ,,niet werkbaar'' om de term `levensvatbaarheid' volledig afhankelijk te maken van medisch-technologisch kunnen. Hij stelt voor een ander criterium te gebruiken, bijvoorbeeld wanneer een foetus begint te denken. Dat zou bij circa 30 weken zijn - na aftrek van een veiligheidsmarge zou het mogelijk kunnen zijn bij ongeveer 24 weken nog te aborteren.