Europa moet overleggen met staf van Kerry

Timothy Garton Ash, de solide analist van de eigentijdse internationale verhoudingen en tot voor kort nog vol vertrouwen in de positieve kracht van het Atlantisch bondgenootschap onder George W. Bush, zet nu zijn kaarten op John Kerry. (Opiniepagina, 7 augustus). Ook al twijfelt hij nog enigszins, zelden zal een zorgvuldig formulerende academicus uit Groot-Brittannië zich zó vernietigend hebben uitgelaten over de zittende Amerikaanse regering en haar internationale beleid sinds 11 september 2001.

Over de recente Democratische Conventie in Boston schrijft Garton Ash: ,,En toch gaf het hele gebeuren mij het gevoel, dat hier [...] het andere, betere Amerika was, waarop Europa tussen alle Cheneys, Rumsfelds en Bushen het zicht verloren had.'' Garton Ash spreekt dus over `Europa' als geheel, en later over `wij', zonder onderscheid te maken tussen `oud' en `nieuw' Europa, of tussen Groot-Brittannië en Frankrijk/Duitsland, of tussen Italië, dat meteen, en Nederland, dat pas militair bijdroeg toen het om `stabilisatie' ging.

Garton Ash stelt iets aan de orde dat in de politieke discussie tot nu toe angstvallig vermeden wordt, maar dat snel op ons afkomt en dringend om grondig nadenken vraag. Hij is lang niet de enige die erop gewezen heeft dat Kerry's woorden op de conventie eigenlijk geen breuk met de beleidsdoelstellingen van de regering-Bush inhouden voorzover het om buitenlandse politiek gaat: de oorlog tegen terrorisme voortzetten, Irak en Afghanistan stabiliseren (met hulp van bondgenoten), proliferatie van massavernietigingswapens bestrijden.

Kerry zal, als hij gekozen wordt, dus meteen om bondgenootschappelijke hulp in Irak vragen, en Garton Ash geeft de raad daarop te antwoorden met `ja, mits...' ,,Wij'', schrijft Garton Ash, ,,zouden dan als `mitsen' moeten opvoeren: inzetten voor een vredesproces tussen Israël en Palestina, meedoen met internationale verdragen die Amerika de laatste tijd heeft afgewezen, en iets doen aan de buitensporige CO2-uitstoot, enz.''

Die suggesties zijn tenminste een poging ons op een verhoopte verkiezingszege van Kerry voor te bereiden. Maar is Garton Ash' voorstel realistisch? Vele van die `mitsen' liggen niet in Kerry's hand, zeker niet als het Congres een Republikeinse meerderheid behoudt. Alleen al een actievere benadering van het Israëlisch-Palestijnse probleem zal van een president Kerry een enorme inzet vergen.

Het idee van Garton Ash dat `wij' in ruil voor die andere wensdromen Amerikaanse troepen in Irak gedeeltelijk zouden gaan vervangen, is wellicht in theorie denkbaar, maar volstrekt niet realistisch. Het gaat nu om 140.000 Amerikaanse soldaten; slechts eenderde daarvan zou al op een kleine 50.000 militairen neerkomen. De Britten zijn aan de grens van hun mogelijkheden terechtgekomen, de Italianen, de Polen en de Nederlandsers ook. En Frankrijk en Duitsland hebben, afgezien van de politieke obstakels, geen capaciteit in huis om die rol te vervullen.

Maar Garton Ash heeft terecht het belang onderstreept om, liefst als `Europa' of een belangrijk deel daarvan, tijdig – en nog vóór de Amerikaanse verkiezingen – met Kerry's toekomstige veiligheidsstaf te overleggen wat begin 2005 wel of niet mogelijk zal zijn om de transalatlantische verhoudingen weer in constructiever vaarwater te brengen. Niets doen is onverantwoord.

E.P. Wellenstein is oud-directeur-generaal van de Europese Gemeenschap.