Zin en onzin rond beoogd eurocommissaris Kroes

Rond de voordracht van mevrouw Kroes als eurocommissaris lijken een aantal misverstanden de ronde te doen. Zo betoogt D66-fractievoorzitter Dittrich in NRC Handelsblad van 4 augustus, dat mevrouw Kroes in de Tweede Kamer verantwoording zou moeten afleggen over haar houding ten opzichte van de Europese integratie en in een interview in Nova leek mevrouw Kroes aan te geven daartoe bereid te zijn.

De omschrijving vorige week in het journaal van mevrouw Kroes als ,,Nederlandse vertegenwoordiger in de Commissie'' bevreemdt mij ook enigszins.

Ten slotte lijkt de gehele discussie over de vermeende zwaarte van de portefeuille te worden gevoerd in het licht van een opvatting waarbij die portefeuille een tegenprestatie zou zijn voor, onder meer, het feit dat Nederland de grootste nettobetaler is.

Dit alles lijkt te getuigen van een misvatting van de rol van leden van de Europese Commissie en de band tussen deze personen en de lidstaten waaruit zij afkomstig zijn.

Leden van de Commissie, zo valt te lezen in artikel 213, tweede lid, van het EG Verdrag, ,,oefenen hun ambt volkomen onafhankelijk uit in het algemeen belang van de Gemeenschap''.

Voor alle duidelijkheid vermeldt deze bepaling verder nog dat leden van de Commissie geen instructies vragen noch aanvaarden van enige regering of enig ander lichaam. Zo bezien zal mevrouw Kroes dus allesbehalve een vertegenwoordiger van Nederland worden in de Commissie.

Als zij dus geen vertegenwoordiger is van Nederland, kan men zich afvragen of het wel belangrijk is welke portefeuille zij krijgt (en of het wel belangrijk is dat er iemand met de Nederlandse nationaliteit in de Commissie zit). Ook vraag ik me af of zij wel gehoor zou moeten geven aan de oproep om te komen getuigen over haar integratiegezindheid in de Tweede Kamer.

Het Europees Parlement lijkt me daarvoor veel meer de aangewezen plaats. Daar worden immers de voorgedragen leden van de Commissie ook gehoord met het oog op de vraag of zij zullen optreden ,,in het algemeen belang van de Gemeenschap''. Ik kan me er daarentegen alles bij voorstellen dat de minister(s) die verantwoordelijk zijn voor haar voordracht in de Tweede Kamer worden gehoord.

Ten opzichte van deze ministers bezit de Kamer ten minste enige machtsmiddelen.

Hans Vedder, Universitair docent Europees recht Rijksuniversiteit Groningen