`O-Europa zwak in biosector'

Nederlandse biologische boeren hebben voorlopig nog weinig concurrentie te vrezen vanuit Oost-Europa. Dat stelt een groep onderzoekers van het Landbouw Economisch Instituut (LEI), dat een onderzoek uitvoerde in opdracht van het ministerie van Landbouw.

De resultaten van het onderzoek worden in de LEI-Agrimonitor van augustus gepubliceerd. Hoofdconclusie is dat het nog ,,geruime tijd'' zal duren voordat de biologische boeren in Midden- en Oost-Europa even concurrerend zullen zijn als hun Nederlandse collega's. Het ministerie van Landbouw wilde weten welke effecten de Nederlandse biologische boeren zullen ondervinden van de toetreding van de tien nieuwe lidstaten tot de Europese Unie.

De kosten voor arbeid en grond liggen in de nieuwe lidstaten lager dan in Nederland. Maar dat is volgens het LEI het enige voordeel. Marketing, logistiek, kwaliteitscontrole en garanties liggen nog lang niet op het West-Europese peil.

De Midden- en Oost-Europese landen hebben geen thuismarkt voor de – dure – biologische producten. De Oost-Europese consument toont ,,weinig interesse'' in biologische producten. Daarnaast voeren de regeringen in de landen geen stimuleringsbeleid voor de biologische sector dat vergelijkbaar is met Nederland. Ook een professioneel distributie- en verwerkingsnetwerk ontbreekt nagenoeg in de meeste landen.

Van de nieuwe lidstaten heeft Hongarije de sterkste positie. De regering aldaar voert al enkele jaren een stimuleringsbeleid voor de biologische landbouw, de sector is redelijk goed georganiseerd en kennis ligt er op een vrij hoog peil. Tsjechië en Polen volgen op enige afstand. In tegenstelling tot de Hongaren exporteren de Tsjechen nog nauwelijks naar de andere EU-lidstaten. Ook is de sector er slecht georganiseerd, maar kennis en onderzoek zijn wel in ontwikkeling. Bovendien kopen de Tsjechen meer bioproducten dan consumenten in de andere landen. De Poolse landbouw is nog erg versnipperd georganiseerd. Het opleidingsniveau van de werknemers is er relatief laag.