Geen vrijwillige terugkeer zonder enige dwang

Zonder een stevig terugkeerbeleid met dwang zullen uitgeprocedeerden niet snel vrijwillig terugkeren, schrijft de IOM, de Geneefse organisatie voor migratie, in een rapport.

Minister Verdonk (Integratie en Vreemdelingenzaken) kon het maar niet begrijpen. Begin dit jaar klonken luide protesten tegen haar voornemen om zo'n 26.000 uitgeprocedeerde asielzoekers terug te sturen naar het land waar ze vandaan kwamen. Waarom voelt iedereen in Nederland zich zo verbonden met mensen in een uitzichtloze situatie, vroeg ze zich af in interviews, en waarom solidariseren zo weinigen zich met mensen die de moed hebben vrijwillig terug te keren en een nieuw bestaan in hun land van herkomst proberen op te bouwen? ,,Ik ken het verhaal van een Ethiopische asielzoeker'', zei ze bijvoorbeeld in februari tegen Trouw, ,,die terug moest naar zijn land en in Addis Abbeba een café opende. Hij noemde het café Crailoo, de naam van het asielzoekerscentrum bij Hilversum. (...) Uitzetting betekent niet het einde.''

Inmiddels weten steeds meer overheden binnen Europa de mensen die vrijwillig terugwillen wél te vinden. Een groeiend aantal lidstaten – Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Portugal, Italië, Hongarije, Zweden en ook Nederland – grijpt naar de vrijwillige terugkeer om het asielbeleid meer effectiviteit en legitimiteit te verschaffen, zo constateert de Internationale Organisatie voor Migratie in een omvangrijk onderzoek naar het terugkeerbeleid in 27 Europese landen (de 25 EU-lidstaten plus Zwitserland en Noorwegen). Bij dit beleid kunnen de uitgeprocedeerden een premie krijgen zoals in Nederland en Duitsland (in Nederland 225 euro per persoon, 320 euro voor een familie met twee kinderen), of beroepsonderwijs ontvangen voor wie bijvoorbeeld verder wil als automonteur (ook Duitsland).

Maar het kan ook gaan om gerichte informatie en coaching door sociaal werkers of medewerkers van immigratiediensten, zoals Italië, Zweden en Hongarije steeds vaker doen.

De autoriteiten moeten wel, constateert de IOM, een internationale organisatie met het hoofdkantoor in Genève. Het belangrijkste alternatief – het gedwongen terugkeerbeleid – is behalve impopulair immers ook nog eens ineffectief: veel van de weggestuurden komen nooit in hun thuisland aan, maar duiken elders weer op – niet zelden in het land dat hen heeft weggestuurd. Van de 13.563 wegzendingen waartoe bijvoorbeeld de Belgische autoriteiten in 2000 besloten, werden er 3.002 daadwerkelijk gerealiseerd; in veel andere landen gaat het vaak niet veel beter. Gedwongen terugkeer is daarnaast duur. De kosten van verwijdercentra en andere overheidsgebouwen die het gedwongen terugbeleid mogelijk moeten maken, bedragen een veelvoud van de fondsen die nodig zijn voor het vrijwillig terugkeerbeleid.

Verder wordt vrijwel iedere Europese collega van Verdonk wel achtervolgd door een verhaal over gestorven asielzoekers tijdens of na gedwongen terugkeer in het eigen land. Onlangs trok de moord op de 24-jarige Somalische asielzoeker Abdinassir Abdilatif Ali op 10 juni in Mogadishu de aandacht van zowel Deense als Nederland media. Ali vroeg in augustus 2000 vergeefs in Nederland asiel aan, en werd uiteindelijk door Denemarken uitgezet naar zijn land van herkomst. En in 1998 stond België wekenlang op z'n kop toen de Nigeriaanse asielzoekser Semira Adamu stikte toen vijf politiemensen haar in bedwang probeerden te houden tijdens de vlucht terug naar Nigeria. Het incident kostte minister van Binnenlandse Zaken Louis Tobback destijds zijn baan.

Toch zet de Geneefse organisatie ook een paar belangrijke kanttekeningen bij de kansen van het vrijwillig terugkeerbeleid. Bij grote aantallen uitgeprocedeerden, zoals in Nederland lange tijd het geval was, zullen terugkeerpremies niet altijd op evenveel steun kunnen rekenen van het publiek. En migratie-expert Van Os van den Abeelen, voorzitter van de Nederlandse Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken die om het IOM-rapport vroeg, wijst erop dat de kans bestaat dat de premie in handen komt van de mensensmokkelaars die de uitgeprocedeerden ooit vervoerden. Toch steunt de NACV het premie-beleid omdat ,,het alternatief, namelijk dat mensen als illegaal in Nederland blijven, schadelijker is voor de samenleving als geheel.''

Zowel de IOM als Van Os van den Abeelen wijst erop dat de groeiende aantallen vrijwillig terugkerenden nog steeds een fractie vormen van degenen die gedwongen terug moeten. Belangrijker nog: stevige dwang is juist een `sine qua non' voor een geslaagd vrijwillig terugkeerbeleid, schrijft de IOM. Financiën vormen nauwelijks een motivatie, zoals bleek uit mislukte programma's in Ierland. Minder dan 10 procent van de Afghanen die in Ierland in aanmerking kwamen voor een vertrekpremie, kwam die ook daadwerkelijk innen. Pas als alle andere mogelijkheden zijn uitgeput, willen uitgeprocedeerden vrijwillig vertrekken, luidt de conclusie van de IOM. Nederland was met z'n vele beroepsmogelijkheden mede daarom lange tijd een populair land voor asielzoekers, stelt het rapport.

Ten slotte waarschuwt de IOM herhaaldelijk dat veel van de programma's die vrijwillig vertrek mogelijk maken, tot nog toe nauwelijks op effectiviteit zijn onderzocht. Daarom liggen nieuwe desillusies in het migratiebeleid op de loer. Om op het voorbeeld van Verdonk terug te komen: waar is de Ethiopische caféhouder na vijf jaar? Staat hij nog steeds achter de bar in Addis Abbeba, of zit hij weer verscholen in een vrachtschip op weg naar Brindisi?