Een zieke buurman als Friedensmacht?

Duitsland als zomers komkommertje voor de columnist?

Die gedachte kon opkomen bij de lezing van de column van Arie Elshout in de Volkskrant van gisteren. Toe maar Duitsland, je kunt het, luidde de vrolijk-pesterige zin boven het stuk. Die kop had zo al gestaan boven een lovend artikel over de Duitse democratie van de Amerikaan Steven Ozment in het weekblad Die Zeit (Deutschland, du kannst es besser). Vooral in het door SPD-kanselier Schröder gepropageerde begrip Friedensmacht ziet Ozment een model met internationale voorbeeldwaarde. Een model dat ontwikkeld is in een land dat een democratisch evenwicht heeft gevonden tussen vrijheid en gelijkheid enerzijds en orde en autoriteit anderzijds, vindt hij. Duitsland is daardoor ook geschikter om de Irakezen vertrouwd te maken met de democratie dan de Amerikanen, meent Ozment. Hij hoopt op een permanente Duitse zetel in de Veiligheidsraad. Want daarin zou een door zijn historie gelouterd Duitsland kunnen opereren als Zivilstaat die compromis in plaats van conflict wil en de kracht van het recht boven het recht van de sterkste. Zo'n compliment zal er wegens zijn anti-Amerikaanse lading, subsidiair zijn anti-Bushlading, goed ingaan in Schröders Duitsland, en zeker niet alleen daar. Maar dat geldt niet voor Elshout, die trouwens meer dan een zomerse komkommer te bieden had. Hij wijst er voor de zekerheid nog op dat in hetzelfde nummer van Die Zeit verslag wordt gedaan van een recente reis door Azië van minister Joschka Fischer waarin deze als vertegenwoordiger van wat het weekblad noemt ,,een land dat mondiale ontwikkelingen op eigen kracht nauwelijks kan beïnvloeden'', vooral filosofische uitspraken deed. Zoals: ,,De Amerikanen hebben de wereld veranderd, wij hebben haar geïnterpreteerd.'' Voor Duitsland heeft Elshout een ongevraagd, in feite ironisch, advies: ,,Verbind je denkkracht met Amerikaanse daadkracht. Begin ermee in Irak. Ze hebben daar vrijheid, maar nog lang geen orde. Laat het daar zien. Toe maar, je kunt het.'' Mooi advies. De Democratische presidentskandidaat Kerry heeft al, onder veel applaus uit Europa, aangekondigd dat hij, mocht hij dadelijk Bush verslaan, weer nauwer wil samenwerken met de traditionele Amerikaanse bondgenoten. Maar dan na de vraag: doet u ook mee?'' zal ook hij wel meer Europese militaire daadkracht willen zien. En niet alleen vrome gezichten, mag je vermoeden.

Schröder dankt zijn herverkiezing in 2002 onder meer aan een demonstratief krachtig optreden tijdens een overstromingsramp toentertijd in Oost-Duitsland en een snuif onmiskenbaar anti-Amerikanisme inzake de kwestie-Irak. Dat zijn land, waarvan de meeste inwoners hun wereldbeeld vormden in de naoorlogse, niet geheel soevereine en van krijgsgeweld afkerige West-Duitse Bondsrepubliek (of in de communistische DDR), graag een Friedensmacht is, staat buiten kijf. Dat de West-Duitsers, die bijna een halve eeuw hebben gewoond in een land dat zich tot de Duitse eenwording in 1990 een ideologische frontstaat en een vazal van de VS moest laten noemen, nu anders dan tijdens de Koude Oorlog kunnen en willen reageren op wensen en plannen uit Washington, staat ook buiten kijf. Bovendien worden en werden sinds een jaar of tien zulke enorme bezuinigingen op de Duitse defensie-inspanning toegepast dat het de vraag is of het grootste Europese NAVO-lid, dat ook het grootste lid is van de Europese Unie, nog wel iets anders kan wezen dan een Friedensmacht.

Anders gezegd: voor betekenende vormen van militaire interventie, zeg om ergens op de wereld te helpen vrede af te dwingen (niet alleen vrede te bewaren), mist Duitsland zowel de mentale dispositie als de militaire middelen. Tegen die achtergrond blijft het knap van Schröder om daaruit met het woord Friedensmacht politieke munt te slaan, maar zo heel veel meer dan een vondst met vooral binnenlands-politieke waarde lijkt dat niet. Van een enigszins leidende rol van Duitsland in Europa is op dit stuk geen sprake, laat staan op het wereldtoneel. En dat is geen toeval.

De wereld en Nederland moet onder het hoofd Friedensmacht voorlopig nog maar niet al te veel verwachten van Duitsland. Maar er is voor Nederland nog iets ernstigers te noteren over zijn grote buurman. De aangeslagen kanselier Schröder slaagt er namelijk niet in om met zelfs maar bescheiden hervormingen zijn land wat in de richting van economisch herstel te krijgen. Hij heeft het SPD-voorzitterschap, en daarmee een deel van zijn politieke macht, een paar maanden geleden moeten afstaan, en valt van de ene regionale verkiezingsnederlaag in de andere. Het volk wil niet wat hij wil, wat betekent dat de wal het schip in Duitsland kennelijk nog niet heeft gekeerd.

Dit najaar volgt waarschijnlijk weer een zware klap in de grote deelstaat Noordrijn-Westfalen. Schröders SPD zit in de peilingen op een historisch dieptepunt, namelijk onder 25 procent. Er wordt openlijk om zijn aftreden gevraagd, ook binnen de SPD, gisteren nog door zijn vroegere concurrent en gewezen co-kroonprins Oskar Lafontaine, net als Schröder trouwens een van de politieke kleinkinderen die Willy Brandt de SPD naliet. Intussen houdt de oppositie (CDU/CSU/FDP) zich vrij stil en wordt slapend rijk. Wat betekent dat voor Nederland, dat economisch zó afhankelijk is van Duitsland dat het wel eens spottend ,,de zeventiende Duitse deelstaat'' wordt genoemd? Het kan betekenen, wegens die afhankelijkheid, dat het tweede kabinet-Balkenende straks, in 2006/2007, moet concluderen dat zijn economische missie ondanks alle harde nationale maatregelen niet is geslaagd. Duitsland straks schuldig verklaren, heeft weinig zin. Wat Nederlandse kiezers dan doen, valt te raden. Zo gezien zijn Schröder en de ook tamelijk stille Nederlandse oppositieleider Wouter Bos op een ingewikkelde manier politieke vrienden. De dood van de eerste kan straks electoraal zelfs het brood van de tweede worden.