Snotwork

Mijn vader kon vroeger heel erg driftig worden. En ik kon hem, zeker als puber, het bloed onder de nagels vandaan treiteren. Meer dan eens heeft dit bij ons thuis tot onverkwikkelijke scènes geleid, maar er is er maar één waar ik geregeld aan terugdenk en dat komt doordat mijn vader toen iets riep wat ik nooit vergeten ben.

We waren in de huiskamer, waar indertijd tussen een bank en een paar stoelen een lage, vierkante tafel stond. Die tafel stond op een wollen kleed.

Wat de aanleiding van de ruzie was, weet ik bij god niet meer. We hadden soms maar weinig nodig om elkaar in de haren te vliegen. Maar dit keer liep het echt hoog op. Mijn vader sloeg mij bijna nooit, maar nu sprong hij uit zijn stoel op om mij een klap te verkopen. Tussen ons in stond die lage tafel op dat kleed. Mijn vader probeerde mij over de tafel heen te grijpen, maar daar was die net te breed voor. Even stonden wij roerloos tegenover elkaar, toen begon mijn vader te rennen.

Hoe vaak we om die tafel zijn gerend weet ik niet meer. In mijn herinnering een keer of drie, vier. Het moet een absurd gezicht zijn geweest, een scène uit een Italiaanse film. Vader en zoon rennend om een te groot uitgevallen salontafel, beiden even snel, beiden in gevaar – want de kans dat een van ons op dat wollen kleed onderuit zou gaan was groot.

Mijn vader gaf het als eerste op, hijgend, waardoor ik kans zag naar mijn kamer te ontsnappen. Hij kwam me gelukkig niet achterna, maar in plaats daarvan riep hij heel hard: ,,Snotwork!'' En toen: ,,Vervelende snotwork!''

Ik kan me niet herinneren dat ik me indertijd heb afgevraagd wat hij hiermee bedoelde. Misschien heb ik er, van de zenuwen, even om gegiecheld, maar dat zal ik zeker buiten zijn zicht hebben gedaan. Ik was dan wel een lastige puber, maar niet gek.

Later heb ik nog vaak aan deze renpartij teruggedacht en altijd in combinatie met het woord snotwork. Ik denk dat mijn vader, in zijn drift, twee woorden door elkaar heeft gehusseld, te weten: snotjong en rotjong. Of snotaap en rotjong.

Ik heb een jeugdvriend die dit verhaal kent. Een doodenkele keer spreekt hij me aan met snotwork (,,Zo, snotwork, alles goed?''). Ik heb hem dat nooit gezegd, maar ik ben hem daar telkens intens dankbaar voor. Het slaat helemaal nergens op, maar ik zou het zonde vinden als snotwork verloren zou gaan. Het is voor mij een woord dat een bijzondere, onverklaarbare emotionele waarde heeft. Behalve die jeugdvriend is er geen mens in de wereld die het ooit gebruikt. Nou ja, behalve ik zelf dan. Als ik er echt een potje van maak, noem ik mezelf weleens snotwork. En ik vind het een uitstekend woord om mezelf mee terug te fluiten als ik aanstalten maak om onbescheiden te worden (,,Pas op, snotwork!'').

Waarom vertel ik u dit allemaal? Omdat ik niet de enige ben die zo'n particulier woord tegen de verdrukking in levend probeer te houden. Ik was me dat niet bewust, tot ik hierover las bij Karel van het Reve. In Ik heb nooit iets gelezen (2003) schrijft Van het Reve dat zijn moeder hem eens een anekdote vertelde over een bakker in Almelo waar de meeste taartjes twee cent kostten. Toen zij naar een duurder taartje wees, zei de bakker: ,,Ik worskou oe veuroet, deze kost dree cent'' (`Ik waarschuw u vooruit, deze kost drie cent'). Een andere anekdote gaat over een klein meisje dat een zinnetje voorlas als: ,,Waar gaat gij heen, klein knopenhaakje'' (zij leest het vraagteken dat achter heen hoort, als `klein knopenhaakje').

,,Ik breng'', besluit Van het Reve, ,,deze twee uitspraken, die van de taartjes die drie centen kosten en die van dat knopenhaakje, te pas en te onpas ter sprake, omdat ik bang ben dat ze verloren gaan.''

Zo ligt dat voor mij ook: bang dat snotwork zonder mij verloren gaat. En misschien ook wel: dat de snotwork in mij verloren zal gaan.