Vissen zijn vies

Wiegertje Postma (17) houdt niet van dieren – helemaal niet van vissen. De bekorte jongerencolumn van Spunk.

Met een schok word ik wakker als de deur van mijn slaapkamer open vliegt. Het stralende hoofd van mijn vader steekt om de hoek van de deur. ,,Kom'', roept de enthousiasteling uit. ,,Zwemmen!'' Om de beste man een plezier te doen rol ik mijn bed uit en sjok ik met een handdoek over mijn schouder achter hem aan de vrije natuur in. Al ben ik slaperig, in het frisse ochtendgloren kan ik best genieten van de voor mijn slippers opspringende krekeltjes. Maar zodra we mijn vaders beoogde doel bereikt hebben, dringt de wakkere werkelijkheid tot me door. De bruine, troebele werkelijkheid.

Een meertje. Geen helderblauw betegeld zwembad, waar door de chloorgraad ieder leven onmogelijk is gemaakt en je je ook van binnen grondig gereinigd voelt als je per ongeluk een slokje water binnenkrijgt. Nee, dit is Zwemmen Zoals Het Ooit Bedoeld Was. Met een weelderige flora en fauna onder het wateroppervlak. Met andere woorden: glibberige vissen die langs je benen glijden en zich in het ergste geval er ook aan vastzuigen. Dat water ga ik niet in. Geduldig wacht ik, aan de oever gezeten, tot mijn vader is uitgezwommen.

Ik ben niet echt een dierenvriend. Ik hou niet van honden – een combinatie van angst en afkeer – en vertrouw katten niet helemaal. Zelfs tegenover de schattigst babykonijntjes voel ik een zekere weerstand. Ook die hebben namelijk nageltjes en tandjes om een hoop schade mee aan te richten. Maar vissen vormen weer een heel eigen categorie in de wereld van de weerzin. Vissen zijn nare beesten.

Waar het babykonijntje nog over een soort weerloze donzigheid beschikt, heeft de vis slechts glibberige schubjes, die bij mij geen greintje genegenheid weten op te wekken. Vissen houden zich niet op in wuivende bloemenweides, maar in het water: broeinesten van allerhande uitschot waar we voor een groot deel nog niet eens weet van hebben.

En dan die ogen, waarmee ze je beschuldigend aanstaren wanneer ze in rijtjes opgesteld liggen bij een viswinkel of in een supermarkt. Alsof ik het kan helpen dat ze daar bij honderden liggen weg te kwijnen. Als het aan mij had gelegen, waren ze nog fijn thuis geweest, in het water. Niet zozeer omdat ik me bijzonder druk maak over het instandhouden van de populatie van de wereldzeeën, maar meer omdat ik er veel voor over heb om niet met die vislucht geconfronteerd te worden. Regelmatig probeert mijn moeder mij ook op slinkse wijze vis te voeren, maar ik weet elke gekostumeerde visstick te ontmantelen.

Ik heb het echt geprobeerd, om van ze te houden. Een degelijk aquarium, had ik. Geen viskom, want daar zouden ze psychisch niet helemaal goed van worden. Ik had het aquarium leuk aangekleed, met steentjes en plantjes, en verschillende prullaria die het geheel er wat knusser op maakten. En toen ze kwamen, de goudvissen (met z'n tweeën, want dat is gezelliger), gaf ik ze namen, en onderwierp ik ze aan een gevarieerd voedingspatroon. Ik trainde ze zelfs in gehoorzaamheid.

Het mocht niet baten. Nadat ik binnen enkele maanden de zesde geschubde vriend door de wc moest spoelen, gaf ik het op. Zoveel liefde en inspanning had ik ze gegeven, en het enige wat ik hiervoor terugkreeg was een leeg en nutteloos aquarium en wat lelijk gekleurd grind. Geen liefde, geen vriendschap, geen dank of erkenning. Wat een desillusie. Rotbeesten.