Verstokte instituties

De nieuwe wereld roert zich. Azië is bezig aan een onstuitbare opmars. Economisch blijft dit werelddeel verbazen. China groeide in korte tijd uit tot de werkplaats van de wereld; Zuid-Korea verovert steeds meer kopposities; India laat in sommige sectoren verrassende groeicijfers zien en Japan lijkt na jaren van conjuncturele stagnatie terug te komen van weggeweest. Aan de andere kant van de aardbol roert Brazilië zich, de eeuwige grootmacht in wording en economisch dominant in Latijns-Amerika. Met het toenemende economische soortelijk gewicht groeit de politieke macht van deze landen. Wie geld heeft, exporteert en banen schept, kan eisen op ander gebieden stellen. De BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India, China) speelden in de recente WTO-onderhandelingen een constructieve rol, maar in andere internationale gremia is nog weinig van hun economische opmars te merken. De G-8, de acht landen plus de Europese Unie die zichzelf zien als de economisch machtigsten in de wereld, heeft welgeteld één Aziatisch lid: Japan. De overige leden zijn de VS, Groot-Brittannië, Canada, Italië, Duitsland, Frankrijk en Rusland. Hoewel deze landen het hoogst scoren met hun bruto binnenlands product, wringt er toch iets. China, laatst nog treffend omschreven als de achthonderdponds gorilla van de wereldeconomie, praat niet mee. De groeiers-met-potentie Brazilië en India evenmin.

Aan net zo'n scheefgroei lijden de Verenigde Naties, hoewel China daar wél zijn invloed kan laten gelden als permanent lid van de Veiligheidsraad. Hier zijn het deels andere, deels dezelfde landen die een te beperkte rol hebben; een rol die niet past bij hun huidige status van gevestigde of opkomende economisch-politieke macht. De Veiligheidsraad heeft vijf permanente leden plus tien roulerende leden die voor twee jaar door de Algemene Vergadering van de VN worden gekozen. De permanenten – de VS, Groot-Brittannië, Rusland, Frankrijk en China – hebben hun positie te danken aan het feit dat zij de overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog zijn. De Verenigde Naties, opgericht in 1945, gaven deze landen de meeste zeggenschap over handhaving van de internationale vrede en veiligheid. Ze hebben vetorecht; ze kunnen besluiten van de Veiligheidsraad tegenhouden. De tien roulerende leden zijn op dit moment Algerije, Angola, Benin, Brazilië, Chili, Duitsland, Filippijnen, Pakistan, Roemenië en Spanje. Feitelijke macht hebben ze nauwelijks. Die ligt bij de vetohouders. De verliezers van toen zijn in de VN nog steeds verliezers: de inmiddels gerespecteerde `reuzen' Duitsland en Japan.

Goeddeels westerse landen maken de dienst uit in de internationale organisaties. Allereerst de hypermacht Amerika; dan heeft een aantal Europese landen een plek die historisch bij ze past, maar die voorbijgaat aan het feit dat Europa een steeds kleiner deel van de wereld vertegenwoordigt. Deze onbalans ondermijnt het gezag van de instellingen. De Europese Unie zal op den duur met één stem moeten spreken, maar verandering stuit op politieke onwil bij de landen die bevoorrecht zijn met een eigen zetel. Eerdere oproepen om de VN – in het bijzonder de Veiligheidsraad – eigentijdser te maken, hebben tot niets geleid. Simpele oplossingen zijn er niet, maar hoe langer verandering uitblijft, des te onbevredigender de situatie wordt. Ook de onevenwichtigheid in de G-8 zal tot problemen leiden. China, Brazilië en India laten zich op den duur niet wegzetten door een club die wordt gedomineerd door westerse economieën. Positiebehoud is strijdig met altruïsme onder de lidstaten die het in deze verstokte instituties voor het zeggen hebben. Kortzichtigheid staat zo een heldere toekomstvisie in de weg. Het westerse eigenbelang is juist gebaat bij een opendeurpolitiek.