Varen naar Urk

Een station dat aan een haven grenst, waar je van de trein kunt overstappen op een schip, daar wilde ik naar toe. Het geeft de illusie van het op weg zijn naar de overkant, waar alles min of meer of helemaal anders is. Vlissingen is mooi, met de perrons onder een overkapping die rust op oud ijzerwerk. Maar ik wist niet of er, na de opening van de Westerscheldetunnel nog een boot naar Breskens vaart. Enkhuizen? Ook goed. Wel een jaar of veertig geleden had ik daar de boot naar Stavoren genomen. Met een stevig klein schip naar de oude Friese havenstad, onderweg met nergens nog land in zicht een biefstuk met brood gegeten, aan het Vrouwtje van Stavoren gedacht, en toen met de dieseltrein naar Leeuwarden. Dat scheepje is uit de vaart genomen, die hele dienstregeling opgeheven. Wat te doen. Op het CS gooide ik een euro op. Kop of munt. Het werd Enkhuizen, de stoptrein van 9.07.

Onderweg was van alles te zien dat in menig ander deel van Nederland ook te zien is. Tientallen jaren lang is het ons niet gelukt, een huis te bouwen, zonder aan weerszijden nog een huis neer te zetten dat tot op de centimeter hetzelfde is als het eerste. Maar hoe noordelijker je komt, hoe wijder de weilanden, en voor de liefhebbers staan daar de West-Friese boerderijen met hun piramidedaken. En dan: Enkhuizen! Voor het eerst na twintig jaar.

Al op het eerste gezicht zag het er gemoderniseerd uit. Een groot terras aan de kant van het water, verderop het eigentijdse Pannenkoekenhuis, nog een gelegenheid voor frieten en swirls, veel toeristen op mountainbikes. Ik inspecteerde de stationshal. Een tot maximale kaalheid gerationaliseerde ruimte, met links een schilderij waarop vier oude zeebonken, rechts boven een deur een gemetseld tableau met Wachtkamer derde klasse, een oud schilderij van het schip R. van Hasselt waarmee de dienst op Stavoren onderhouden werd, toen het IJsselmeer nog Zuiderzee was, en recht voor me een loketje: Tickets en service. Als je wilt weten hoe zwaar ons land door de moderniteit is aangesproken, moet je een paar van die kleine stationshalletjes bezoeken. Nergens een krant te koop.

Wat moest ik verder in Enkhuizen doen? De boot naar Stavoren was al vertrokken. Naar het museum van de schepen in flessen? Een beetje in de stad slenteren? Kopje koffie drinken? Terug naar Amsterdam? Er zijn van die dagen met ogenblikken waarop je denkt dat er niets anders opzit dan te verstenen. Nergens zin in. En dan word je door het toeval gered. Er meerde een schip aan, de Prins Claus, waarmee de zomerdienst op Urk wordt onderhouden. Voor acht euro anderhalf uur op het water, om dan heel ergens anders aan wal te gaan: dat was een kans die ik niet voorbij mocht laten gaan. Aan boord!

Precies op tijd, terwijl het klokkenspel van de Dromedaris zijn klaar geklingel liet horen, voeren we de haven uit. Het was prachtig weer, windstil, uw verslaggever zat op het achterdek aan de reling in de zon, aan bakboord waar geen land te zien was. Niets dan de gladde watervlakte, eindigend in de nevelige horizon. De ober kwam de koffie brengen. Was ik dat, die nauwelijks een half uur geleden had overwogen, te verstenen? Het geluk van de vrijheid ligt om de hoek, maar pas later merk je, welke hoek. Intussen hadden de eerste passagiers hun mobieltje gepakt om familie aan het vasteland te melden dat ze op de Prins Claus zaten. Op zeker ogenblik – Enkhuizen was achter de horizon verdwenen en Urk nog niet in zicht – zat op het achterdek meer dan de helft te telefoneren. Dat waren er een stuk of vijfentwintig. Ik heb het ten behoeve van de krant geteld.

Beschouw zo'n bootreis als een mini-cruise. Anderhalf uur op het water is lang. Een paar weken geleden deed de Queen Mary 2, het grootste cruise-schip ter wereld, de haven van Rotterdam aan. De media hebben uitvoerig gemeld wat de passagiers daar kunnen doen, hoe ze wonen, waar ze eten. Om gek van te worden. Niets is nagelaten om ze de overtuiging te geven dat ze er leven als God in Frankrijk. Balzalen, speelzalen, eetzalen. Je kunt niet wenken of je wordt bediend. Daarbij ben je het grootste deel van de tijd ergens op zee, waar het overal hetzelfde is, en je kunt er niet af. Zo was het, afgezien van die zalen, ook op de Prins Claus. Hoe staat het met de verontreiniging van het IJsselmeerwater, vroeg ik me af. Valt mee. Tussen Enkhuizen en Urk heb ik één drijvende plastic zak geteld.

Urk kwam in zicht. Ik zat naast een echtpaar van middelbare leeftijd, Greet en Klaas, die bespraken wat ze zagen. Klaas was van het type Cor van der Laak, een schepping van Kees van Kooten. Cor weet alles. Deze Greet dacht dat ze het strand van Urk zag. ,,Urk heeft geen strand'', zei Klaas onverzettelijk. Hij begon uit te leggen hoe de Urkers hun brood verdienen, dat ze nog altijd de wereldzeeën bevaren, maar hun schepen in Kornwerderzand laten als ze naar huis gaan. Greet had geleerd aandachtig te luisteren. De Prins Claus naderde de haven. Wat Greet voor een strand had aangezien, wás een strand. Ze zei: ,,Kijk, het strand.'' Hoe zou Klaas dit probleem behandelen? Dat is het geheim van Cor van der Laak. Hij pakte het aan, ongeveer zoals president Bush het met de vernietigingswapens van Irak doet. Klaas had volkomen gelijk.

Met een gevoel van opluchting stapte ik aan wal. Wilde met de bus naar Lelystad. Van Urk gaat geen bus naar Lelystad. Wel naar Zwolle, via Emmeloord. Als je op een wilde reis bent, beschouw je iedere onverwachte wending als een meevaller. Geen tijd meer hebbend Urk in te gaan, bekeek ik de directe omgeving van de bushalte, de faciliteiten voor frieten, ijshorentjes, kippenkluifjes. En de sculptuur De IJsloper, door Piet Bruine gemaakt in 1992, onthuld door minister Maij-Weggen, twee jaar later. In de strenge winters van vroeger vroor de Zuiderzee dicht. Urk geïsoleerd. Tien Urkers duwden een scheepje over het ijs, naar Schokland of Kampen, om de post en levensmiddelen te halen. Piet Bruine heeft dit in zijn beeld vastgelegd.

De bus naar Zwolle vertrok op tijd, ik was de enige passagier, reed door het land dat driekwart eeuw geleden zee was. We zijn er te diep aan gewend om er nog trots op te kunnen zijn.