Van slavenhut tot openluchtmuseum

Zuikertuintje, Bloempot: Renate van der Zee bezoekt oude plantagehuizen op Curaçao. Waar vroeger slaven werkten, wonen nu flamingo's en termieten.

Het schijnt behoorlijk te spoken op landhuis Jan Kock. Maar wie nou precies het oude Curaçaose plantagehuis onveilig maakt, daarover lopen de meningen uiteen. Sommigen beweren dat het de geest van een slaaf is die door een plantagehouder is vermoord. Anderen zeggen dat het de wrede slavenmeester Jan Kock zelf is. Er zijn ook mensen die een geheimzinnige indiaan met lang haar hebben waargenomen. Maar kunstenares en voormalig beauty queen Nena Sanchez, die tegenwoordig haar werk exposeert op het landhuis, beweert glashard dat het spook de benen heeft genomen sinds zij er haar schilderijen heeft opgehangen.

Landhuis Jan Kock dateert uit de zeventiende eeuw en is een van de oudste landhuizen op Curaçao. Met hun rode pannendaken en typische gevels vormen ze een merkwaardig contrast met het door manshoge cactussen bevolkte landschap. Hun namen zijn charmant: Martha Koosje, Zuikertuintje, Pannekoek, Bloempot, Rooi Catootje. Maar het verhaal dat ze vertellen is bitter: slaven bewerkten hier het land.

FLAMINGO'S

De arbeid op het land was zwaar, maar het werk in de zoutpannen beschouwden de slaven als de zwaarste arbeid. Zoutwinning was de grootste bron van inkomsten. Je ziet de zoutpannen nog liggen vanuit het huis. Tegenwoordig resideert er een kolonie flamingo's die in de jaren tachtig tijdens een storm op Bonaire letterlijk is komen overwaaien. Maar in de achttiende en negentiende eeuw zwoegden hier slaven in de bloedhete zon.

Er staan nog ongeveer vijfentachtig landhuizen op Curaçao, maar vele verkeren in deplorabele staat. Verval gaat snel in de tropen, met de medewerking van termieten en aanverwante slopers. Inmiddels heeft de Curaçaose monumentenzorg een aantal belangrijke plantagehuizen van de ondergang gered. Sommige landhuizen zijn nu musea, in andere zitten restaurants, in landhuis Chobolobo wordt de Curaçao-likeur gestookt, in Rooi Catootje zit een bibliotheek terwijl Zuikertuintje een winkelcentrum herbergt. Andere staan eenzaam in het dorre landschap en huisvesten turkooizen hagedissen en bijenkolonies.

Het loont de moeite een tocht over het eiland te maken en een paar van die huizen te bezoeken. Neem de Weg naar Westpunt, dat is sowieso een prachtige weg die dwars door de kunuku, het Curaçaose platteland voert. Het eerste landhuisje aan de rechterhand is Papaya, een charmant roze gebouwtje, gelegen in een stoffige tuin vol cactussen en agaves. Er zit een bar in, maar die is niet altijd open. Verderop liggen landhuis Martha Koosje, waar je Caraïbisch kunt eten, en landhuis Daniël, een door een Zeeuw gedreven kanariegeel guesthouse. Volgens de overlevering zou een schipbreukeling die rond 1650 op de naamdag van de heilige Daniël aan land spoelde de plantage zijn begonnen. Het is een heerlijke plek om 's avonds te bezoeken en de milde stilte van de kunuku te ondergaan.

Verder westwaarts door het zinderende landschap, voorbij een landhuis dat om onverklaarbare redenen Siberië heet, rijst het perfect onderhouden landhuis Ascension op met zijn rood met witte luiken. Het vormt nu een recreatiecentrum voor de Nederlandse marine en is regelmatig open voor bezoekers, maar pas op: ook hier schijnt het te spoken.

Niet ver van Ascension is de andere zijde van het plantageleven te zien: een hut waarin vrijgelaten slaven woonden, gemaakt van takken, adobe en koeienmest met een dak van maïsbladeren. Ooit gebouwd door een voorvader van de huidige eigenares, is het nu een aandoenlijk openluchtmuseumpje. Binnen staan en hangen allerlei gebruiksvoorwerpen, alsmede de half vergane bruidsjurk van een lang gestorven familielid. Drink een batido, Curaçaose milkshake op basis van verse vruchten, aan de bar voor je de tocht vervolgt.

De Weg naar Westpunt voert langs landhuis Dokterstuin, ooit ambtswoning voor districtbestuurders, tegenwoordig een Creools restaurant, en langs landhuis Savonet, gelegen in het Christoffel Nationaal Park, waar de vegetatie opeens veel groener en weelderiger is. Savonet is het grootste landgoed van Curaçao en vormde ooit een museum maar verkeert nu in vervallen staat. Het dak is ingestort en wie door de verlaten vertrekken dwaalt, treft alleen twee verweerde tandenborstels en een vergeelde strip aspirine aan. Er zijn restauratieplannen en het gebouw is gestut, maar voor een eiland als Curaçao zijn de fondsen moeilijk op te brengen.

SLAVENOPSTAND

Het einde van de tocht ligt bij landhuis Knip, ooit de meest welvarende plantage van het eiland, nu een stoffig museum. Er is een portrettengalerij van grootheden van de tambú, de verboden muziek van de slaven. Op landhuis Knip brak in 1795 een grote slavenopstand uit die zich als een veenbrand uitbreidde over het eiland en maar met moeite kon worden onderdrukt. De helden van de opstand, die zich beriepen op de idealen van de Franse revolutie, werden door de Nederlanders op beestachtige wijze geëxecuteerd. De majestueuze ligging van Knip in een desolaat, bergachtig gebied nodigt uit tot overpeinzing. En die kan op deze plek alleen maar melancholisch zijn.