TOEN VOETBAL OORLOG WERD

Veertig jaar geleden trad hij bij Ajax aan: Rinus Michels.

In zes jaar tijd werd Ajax de beste club van Europa en won zijn eerste Europa Cup.

Het Nederlandse profvoetbal was geboren. Dat ging niet zonder slag of stoot. Menig coryfee van toen mokt nog na. Portret van 'de Generaal', de man die van zijn voetballers rugnummers maakte.

Op 22 januari 1965 rijdt Rinus Michels in zijn Skoda naar het voetbalstadion De Meer in Amsterdam. Hij is zojuist benoemd tot trainer van Ajax, als opvolger van de tussentijds vertrokken Brit Vic Buckingham. De 37-jarige Michels is relatief onervaren: voor zijn aanstelling bij Ajax heeft hij amateurs van jos en afc getraind. Wel heeft hij een trainersdiploma op zak, een voorwaarde om bij Ajax aan de slag te kunnen. In het dagelijks leven is hij gymnastiekleraar op een school voor doven in Amsterdam. Als leraar staat hij bekend om zijn didactische gaven. Als trainer om de gezelligheid die hij op en rond de velden creëert.

Michels is aangenomen door voorzitter Jaap van Praag en penningmeester Henk Timman, die een half jaar daarvoor zijn aangetreden. Zijn jaarsalaris bedraagt 25.000 gulden. Met Van Praag krijgt Michels al snel een vertrouwensband. Ze hebben dezelfde visie: van Ajax een internationale topclub maken.

Zes jaar later, bij zijn vertrek naar Barcelona, laat Michels in Amsterdam de beste club van Europa achter. Het team dat van 1971 tot 1973 drie keer de Europa Cup wint, speelt vernieuwend voetbal. Het speelt bovendien met de flair, de bluf en de arrogantie die we nog steeds met Ajax associëren. Zo bezien is 1971 het eerste jaar van het instituut Ajax, een instituut dat nu ruim dertig jaar bestaat. Natuurlijk, er zijn grote verschillen in de voetbalcultuur tussen 1971 en 2004. Ajax is nu een beursgenoteerd bedrijf. Toen was het een sportclub met een poenig randje. Voetbal is nu entertainment en de spelers zijn sterren. Toen was het een sport met enkele vedetten. Voetballers verdienen nu het salaris van een chief executive officer, toen dat van een middenstander. Maar ondanks deze veranderingen is het imago van Ajax tussen 1971 en nu niet noemenswaard veranderd: een trotse club met als sportieve kern een paradox: een gedisciplineerde en avontuurlijke voetbalstijl. Doorgaans wordt in deze huisstijl van Ajax het avontuurlijke element benadrukt: aanvallend voetbal, opkomende backs, snelle balcirculatie. In dit stuk ligt het accent op die andere pijler, de discipline. Het lichtvoetige touch and go-spel dat Ajax idealiter speelt, is immers alleen mogelijk als het rendement oplevert. Anders gezegd: het voetbal staat in dienst van winnen. Twee achtereenvolgende nederlagen in de competitie: dat wordt niet getolereerd. Een seizoen zonder internationaal voetbal is bij voorbaat mislukt.

Zo ver is het nog lang niet, als Michels begint. Ajax vecht in het seizoen 1964-1965 tegen degradatie. De voetballers van het eerste spelen meer tegen dan met elkaar. 'De onderlinge sfeer kon duidelijk beter', aldus Michels in een brief aan mij. Ik had hem telefonisch benaderd voor een interview, maar daar voelde hij aanvankelijk niets voor. 'Sneeuw van gisteren', zei hij over zijn Ajax-tijd. Pas na lang aandringen was hij bereid enkele vragen schriftelijk te beantwoorden. Zijn antwoorden zijn in dit stuk verwerkt.

Niet alleen de sfeer kon beter, schreef Michels me. 'Het wederzijds respect idem. Gevolg: onvoldoende teamdiscipline; onvoldoende bereidheid in elkaars dienst en voor het resultaat te spelen.' Hij staat dat eerste halve seizoen voor de zware taak om het elftal te behouden voor de eredivisie en een einde te maken aan de verziekte sfeer.

Het is deze Michels in de Skoda, de Michels van januari 1965, die mij hier interesseert. Ik wilde weten hoe hij het elftal in de jaren zestig eerst 'aan de gang kreeg', om de toenmalige looptrainer Cees Koppelaar te citeren, en het vervolgens perfectioneerde. Hoe ging hij daarbij te werk? Toen hij in De Meer begon, trof hij een elftal van underachievers aan. Toen hij vertrok speelde iedereen op de top van zijn kunnen. 'Dat Ajax in die jaren omhoogschoot, was wel even wennen', aldus Herman Kuiphof, die het team destijds als tv-journalist volgde. 'Achteraf zeg je dat een aantal omstandigheden heeft geholpen dit tot een speciale ploeg te maken. Ten eerste: een straffe organisatie, onder leiding van Michels. Naar Nederlandse maatstaven gemeten een wegbereider voor latere profs. Ten tweede: een groep getalenteerde spelers en een team dat uitgebalanceerd was. Ten derde: een club die achter het team stond. Het bestuur moet spelers en trainers de ruimte willen geven en de zaak bij elkaar willen houden. En als laatste: waar vind je nou een Cruijff?'

Dit seizoen is het veertig jaar geleden dat Michels in De Meer aan de slag ging. Het is verleidelijk te schrijven dat hij kwam, zag en overwon, maar daarmee wordt de waarheid geweld aangedaan. Zo gladjes verliepen de zes seizoenen niet, die hij nodig had om een topelftal te formeren. In dit stuk komen vooral de afvallers aan het woord, de voetballers die het niet redden, die de finish naar het totaalvoetbal niet haalden. Hun voetbalkwaliteiten werden doorgaans niet in twijfel getrokken, maar ze misten volgens de trainer de mentale en fysieke hardheid die nodig is om de top te bereiken. Zij vertellen een verhaal dat dankzij de Michels-cultus tot nog toe onderbelicht is gebleven: de manier waarop de in Nederland tot 'coach van de eeuw' benoemde trainer spelers aan de kant schoof en dwong te vertrekken. Gedumpt, zo voelden ze zich. Enkele spelers vertellen hier voor het eerst over hun afscheid van Ajax.

Geen carte blanche

Michels begint in 1965 karakteristiek. Hij eist van het bestuur dat hij voortaan als enige verantwoordelijk is voor de opstelling. Onder zijn voorganger Buckingham drukte de machtige elftalcommissie nog een stempel op het team dat het veld in werd gestuurd. Michels schrijft mij: 'Zoiets gaat niet van de ene op de andere dag. Het is een kwestie van de juiste momenten afwachten. En van duidelijk maken dat de coach de man is die naar buiten het team vertegenwoordigt - en die dus ook de opstelling bepaalt. Makkelijk was het niet, maar mensen die uit een bepaalde rol worden gehaald, vinden dat over het algemeen niet zo leuk.'

Over zijn aanvankelijke verhouding met het bestuur schrijft hij: '(Er was) geen sprake van carte blanche. Eerstens was ik een beginneling aan het trainersfront op dat niveau. Wel kon ik op het bestuur rekenen, als het om disciplinaire rugdekking ging.'

De coach staat voor de taak om het eerste elftal weer op koers te krijgen. Michels, die in zijn laatste seizoen (1958) bij Ajax nog met enkele voetballers (Bennie Muller en Sjaak Swart) van de huidige selectie heeft gespeeld, moet zijn autoriteit zien te vestigen. Dat doet hij op effectieve wijze. Theo van Duivenbode, destijds linksback: 'In de rust van een van de eerste wedstrijden braken woorden uit tussen Michels en enkele oudere spelers. Het liep niet en hij vond dat ze zijn opdrachten niet goed uitvoerden. Dat hij die discussie aanging, getuigde van moed. Hij liet zich gelden. En hij schiep afstand tot de spelers.'

Frits Soetekouw, de centrale man in de verdediging: 'Hij begon gelijk dat je dacht: 'Poeeehhh'. Je wist meteen waar je aan toe was. Het was echt: 'meneer' of 'trainer'. Er zijn trainers die de ploeg op een innemende manier inpakken. Maar zo was hij niet.' Soetekouw is onder de indruk van zijn gedegen voorbereiding en spelinzicht: 'De wedstrijdbespreking, de analyse van de tegenstander, dat klopte altijd als een bus. Daarnaast was hij goed in het wijzigen van het team in de rust, als dat nodig mocht zijn.' Ajax blijft dat seizoen net van degradatie gevrijwaard. Michels heeft aan zijn eerste opdracht voldaan. Het seizoen daarop slaagt hij voor een tweede taak: hij maakt Ajax landskampioen. Volgens Van Duivenbode betaalt hij het kampioensfeest uit eigen zak: 'Hij liep met een hoedje en een toetertje in een café op het Leidseplein. Heel ontspannen.' Het seizoen 1966-1967 gaat Ajax Europa in. Het is een eerste krachtmeting met de internationale top.

Schlemielig eigen doelpunt

Na afloop van het op 8 maart 1967 gespeelde Europa Cup-duel Dukla Praag-Ajax blijft de kleedkamer van de Amsterdammers een half uur dicht. Dat hadden de spelers en trainer Michels hard nodig om tot rust te komen. Ajax heeft aan de winst geroken, maar de wedstrijd uiteindelijk op schlemielige wijze verloren. Diep in de tweede helft komt de ploeg eerst op voorsprong door een doelpunt van rechtsbuiten Sjaak Swart. Nadat voorstopper Ton Pronk daarna in eigen strafschopgebied tegen de doorgebroken linksbuiten van Dukla oploopt, stort deze theatraal ter aarde. De scheidsrechter kent een strafschop toe: 1-1. Drie minuten voor tijd doet Ajax zichzelf de das om. Een kopbal van rechtsback Wim Suurbier schampt de knie van laatste man Frits Soetekouw. De bal verandert van richting en belandt met een trage boog in eigen doel, buiten bereik van doelman Gert Bals. Eindstand: 2-1 voor Dukla Praag. Ajax is uitgeschakeld, omdat het een week eerder in het Olympisch Stadion in Amsterdam niet verder is gekomen dan een 1-1 gelijkspel.

De nederlaag komt hard aan. Ajax maakt dat seizoen grote indruk; met fris en aanvallend voetbal worden tegenstanders in de competitie van het veld gespeeld. In de eredivisie resulteert dat in het tweede achtereenvolgende kampioenschap, met vijf punten voorsprong op de nummer 2, Feyenoord. Het doelsaldo van 122 voor en 34 tegen is nog altijd een record. De grootste verrassing is echter, dat de ploeg ook internationaal doorbreekt. In december 1966 staat Nederland op zijn kop, als Ajax afrekent met het vermaarde Liverpool. De 5-1 thuisoverwinning, in het Olympisch Stadion in Amsterdam, een wedstrijd die werd gespeeld in dichte mist, kan misschien nog worden afgedaan als een wanprestatie van de Britten. Maar nadat de ploeg een week later op eigen terrein niet verder komt dan een 2-2 gelijkspel, wordt hardop gedroomd over een grensoverschrijdend succes voor een Nederlandse club. Er is, voor het eerst, sprake van Europa Cup-koorts. Voor de uitwedstrijd tegen Praag zijn maar liefst 7.000 toeschouwers meegereisd. Dat Ajax nu is gestruikeld over Dukla Praag, een team dat lager werd ingeschat dan Liverpool, is een bittere teleurstelling. Voor de fans, de spelers en de trainer.

Televisiekijkend Nederland maakt na afloop van de wedstrijd intussen kennis met een noviteit: de instant-wedstrijdanalyse. In een aparte ruimte van het stadion, tegen het decor van een plooigordijn en gezeten achter een eenvoudige houten tafel met een treurig bloemstukje, kijkt commentator Herman Kuiphof met de hoofdrolspelers terug op het duel. Als eersten schuiven de pechvogels Pronk en Soetekouw aan. Ze houden het kort. Pronk verklaart plechtig dat het niet zijn bedoeling was om de aanvaller van Dukla ten val te brengen. Soetekouw zegt 'nog steeds kapot te zijn' van zijn eigen doelpunt. Gelukkig, zo stellen beide spelers, hebben ze de competitie nog. Ze kunnen zich nu richten op het prolongeren van de nationale titel.

Na een kort intermezzo van de ster-spelers Johan Cruijff en Josef Masopust van Dukla Praag schuiven Ajax-voorzitter Jaap van Praag en Michels aan. Van Praag, ontspannen, een sigaret losjes in de rechterhand: 'We hebben gevoetbald tegen mensen die - en misschien heb ik die uitdrukking niet van mijzelf - toch min of meer voor 150 procent prof zijn. En dat zijn wij nog niet voor honderd.'

'Nee, nee', antwoordt Kuiphof aarzelend, om zich meteen tot Michels te wenden: 'Waren het een beetje amateurs tegen beroepsmensen, kun je het zo scherp stellen?' Michels: 'Op dit niveau komt dat niet meer te pas. Iedereen zal er dus wel van overtuigd zijn, zowel vriend als vijand, dat Ajax internationaal gezien beschikt over een ploeg die meetelt. Als je verliest', vervolgt hij, 'vind je dus altijd wel een stok om te slaan, dat is nou eenmaal zo.' Hij eindigt met een typisch staaltje Michels-humor: 'Er bestaat een aanvaller en een verdediger en die aanvaller heeft het recht en de kwaliteit om op een gegeven moment de verdediger te passeren. Anders zou je nooit een doelpunt krijgen.'

Bittere pil

De stok waarmee Michels drie dagen later de nederlaag van zich afslaat, treft de spelers Pronk en Soetekouw. Zonder vooraf door de trainer te zijn geïnformeerd, lezen ze daags voor de competitiewedstrijd tegen dos uit Utrecht dat ze zijn gepasseerd. Hun plaats wordt ingenomen door de Joegoslaaf Velibor Vasovic, een nieuwe aankoop, en de jongeling Barry Hulshoff. Libero Vasovic is een man naar Michels' hart: ervaren, keihard en op en top professional. Hulshoff, allesbehalve een gracieuze verdediger, is kopsterk en bedreven in het uitschakelen van zijn directe tegenstander.

Voor Soetekouw is het een bittere pil: 'Ik speelde het hele seizoen zeer goed, was zelfs door Michels aanvoerder gemaakt. Toen las ik na de wedstrijd tegen Dukla Praag van een briefje dat ik er niet meer in stond. Ik ben meteen naar Michels gestapt, in zijn kantoortje. Ik zei: U bent de baas. U bepaalt de opstelling. Maar dat wil niet zeggen dat je iemand er zo maar uit kunt gooien. U heeft te maken met mensen, niet met een machine die je wegzet.' Pronk: 'Dat hij niet één maar twee spelers uit de ploeg nam, vond ik onbegrijpelijk. Zonder iets te zeggen, dat was Michels ten voeten uit. Ik was het er niet mee eens. Die botsing tegen Dukla Praag kostte mij m'n plaats. Ik ben geen type dat hoog van de daken schreeuwt, maar hier had ik veel moeite mee.' Pronk herovert na drie weken een positie op het middenveld; voor Soetekouw is zijn Ajax-tijd definitief voorbij. Soetekouw: 'Ik praat er eigenlijk nooit over, maar het houdt me nog steeds bezig. Het publiek moest eens weten. Die man heeft zo veel prachtige successen gehad. De keerzijde ervan is minder bekend.'

Michels trekt na de wedstrijden tegen Dukla Praag de conclusie dat het huidige elftal te licht is voor de top. 'Dit proces begon na Dukla Praag uit!!', schrijft hij, inclusief twee uitroeptekens, op mijn vraag wanneer hij met het smeden van zijn ideale Ajax-team is begonnen. 'Meedogenloze mentaliteit ontbrak bij enkelen. Het woord wekt verkeerde geweldsassociaties op. Het gaat om een wedstrijdinstelling. (Italiaans bv.) Geen onnodige franje, geen onnodige hoogstandjes.

Niet alleen de wil maar ook de daad - elke actie in dienst van het resultaat. Ook team tactisch. Aantrekkelijk lees positief voetbal is middel, geen doel. Je teamtactiek tot in de perfectie uitvoeren is heilig. Niet de rol die je prefereert.'

Later geeft hij me telefonisch een korte toelichting op zijn beslissing om Soetekouw en Pronk (even) op te offeren, overigens zonder hun namen te noemen, want, zegt hij, 'dat heeft nu niet zo veel zin meer.' 'Het optreden van een enkele speler heeft mij er toe gebracht maatregelen te nemen', aldus Michels. 'Dat is niet een kwestie van één wedstrijd. Je probeert steeds maar weer de professionele instelling te optimaliseren. Je merkt steeds weer in confrontaties aan de top of je daaraan voldoet. Naar aanleiding van ervaringen in de Europa Cup kom je dan tot bepaalde beslissingen over enkele spelers. In de competitie speelde dat niet. Daar konden die spelers wel mee(komen). Maar in de Europa Cup gelden andere maatstaven.'

In de dagen na de uitwedstrijd tegen Dukla moet Michels tot de conclusie zijn gekomen dat Nederlanders in voetballend opzicht de confrontatie met het buitenland aankunnen, maar dat ze fysiek en mentaal tekortschieten. Topvoetbal, verklaart hij later, 'is net zoiets als oorlog. Wie netjes blijft, is verloren.' De eerste zin is - in enigszins verbasterde vorm - in de nationale ziel gebeiteld, de tweede ten onrechte vergeten. Michels houdt de Nederlandse voetballers (en de Nederlandse samenleving) een spiegel voor: wil je in Europees verband presteren, dan dien je je daarnaar te gedragen.

Vanaf het begin van zijn trainerschap staat Michels de pers met enige gretigheid te woord. In interviews geeft hij zijn visie op het vak van trainer en profvoetballer. Met zijn forse hoofd en krachtige kaken doet hij het goed op de televisie. Vervelende vragen maakt hij onschadelijk met staccato taalgebruik en humor, de humor die hem onderscheidt van zijn protégé, de kleine generaal Dick Advocaat. Hij spreekt bovendien klare taal. 'Toen ik nog speelde', zegt hij, 'was het voetbal een mengeling van clubliefde, romantiek, vertier en zakelijkheid.' Die tijd behoort tot het verleden. 'De relatie tussen de spelers en mij moet zuiver functioneel zijn', verklaart hij. 'De spelers zullen mij wel lastig vinden, maar ze weten allemaal dat ze me nodig hebben. En ik hen. In mijn positie moet je veel verbieden, moet je iedereen voortdurend achter zijn broek aanzitten en moet je vaak met de zweep werken.' Het lijkt soms of hij er genoegen uit put, het er bij de spelers in te wrijven. 'Wat nu volgt', tekende hij in 1970 op, als is het zijn credo, 'zijn niet alleen mooie woorden, het is mijn persoonlijke mening: ik blijf zeggen, dat zodra een voetballer in de voetbalsfeer komt, liever nog in de wedstrijdsfeer, dat hij dan als mens niets te betekenen heeft. Helemaal niks. Ja, toch iets: hij is een nummer.'

De sfinx, de generaal, de bul, de beul, de opzichter, meneer marmer; zijn bijnamen geven al aan dat Michels niet de geschiedenis zal ingaan als een open, zachtaardige man. Volgens de psychiater Roelf Zeven, die destijds enkele jaren aan de club was verbonden, is hij 'recht door zee, zeer intelligent, methodisch en vakbekwaam'. Veel voetballers die ik heb gesproken, laten zich in soortgelijke bewoordingen uit. Maar in één opzicht, zeggen ze, liet zijn karakter te wensen over. Ondanks zijn verbale gaven kan hij het niet opbrengen een speler de wacht aan te zeggen. 'Van zo'n persoonlijkheid', zegt Klaas Nuninga nu, 'had ik verwacht dat hij recht in mijn gezicht zou zeggen dat ik niet meer voldeed.' Waarom verlangden de spelers dat? Nuninga: 'Je moet het in de tijd plaatsen. Wij waren eigenlijk liefhebbers. Velen van ons waren semi-profs, die prof waren geworden. De spelers verwachtten in die tijd nog dat er menselijkheid bij een trainer kwam bovendrijven. Dan is het een teleurstelling als dat er niet inzit. Michels was een redelijk koude man.' Roelf Zeven concludeert: 'Hij was er totaal niet op uit om aardig gevonden te worden. Daarin was hij uitzonderlijk.'

Boetepot

De teugels worden aangetrokken. Michels stelt een boetepot in. 'Ik legde de boetes op, de spelers beheerden de pot', herinnert hij zich. 'Voor het team gold de regel: altijd op tijd bij de trainingen en teambesprekingen en goed gekleed bij de maaltijd zijn.' Keeper Gert Bals: 'Er werden niet veel boetes opgelegd. Het gebeurde sporadisch. Maar als er een boete werd uitgedeeld, werd hij ook geïnd. Ik heb nooit een boete gehad, nee. Ik was een lieve jongen. We mochten niet in allerlei outfits aan tafel, daar had hij een hekel aan. Soms droegen we een colbertje, dan weer een trainingspak. Als we als team maar gelijk gekleed waren. Dat vond hij belangrijk.'

Wie te laat is krijgt straftraining. En na een nederlaag zet Michels de puntjes op de i. Bals: 'Dan kreeg de ploeg op zijn donder. Je kon, als we zondag slecht hadden gespeeld, op maandag en dinsdag aan zijn houding zien dat er wat zwaaide. Dan was hij stug. En als een trainingsoefening dan ook nog eens niet liep, ging hij vreselijk tekeer. Dan zette hij een stem als een scheepshoorn op. Het kwam wel eens voor dat een van de spelers dat niet accepteerde. Piet Keizer kon nog wel eens uit zijn slof schieten.'

Keizer verzet zich tegen de kadaverdiscipline die Michels oplegt. Ook Cruijff legt zich niet bij alle beslissingen van de leiding neer. Hij is een geval apart. Looptrainer Cees Koppelaar: 'Na de eerste of tweede training die ik gaf, kwam er een klein, mager ventje naar me toe. Hij sloeg zijn hand om mijn schouder en zei: ”Goed voor je toekomst, dat je hier loopt.” Geen grap, heel serieus. Dat was midden jaren zestig, in een tijd dat de gezagsverhoudingen anders lagen dan nu. Cruijff was bijna tien jaar jonger dan ik, en ik was de trainer.

Toen bestond de woorden curriculum vitae nog niet in de sport. Geen andere speler die het in zijn hoofd zou hebben gehaald zoiets te zeggen.'

De spanningen lopen soms hoog op. Enkele spelers laten zich niet in een keurslijf dwingen. Ze tonen hun persoonlijkheid. Oud-penningmeerster Henk Timman: 'Michels was een eerlijke vent. Maar hij was zeer streng. De ploeg voelde zich goed onder zijn leiding, op een enkeling na. Het liep daarom fout met Keizer. Meer dan met Cruijff, ja. Het waren verschillende persoonlijkheden. Een voorbeeld? De spelers mochten van Michels niet roken. Cruijff en Keizer deden het toch. Maar Keizer liet het daar niet bij. Hij vroeg Michels om een vuurtje. Dat bedoel ik: provoceren. Aan de andere kant: Keizer was er wel voor het elftal. Cruijff was er voor zichzelf.'

Koppelaar: 'Cruijff was een moeilijke jongen. Als je ook maar even een oefening voorschreef waarvan hij het nut niet inzag, vroeg hij meteen: ”Waarom moet ik dat doen?” Voor sommige mensen was hij een drama. Michels was geen prater, bij hem was het een kwestie van presteren. Hij wist waar hij heen wilde. Ik denk dat Cruijff en Michels het met elkaar gered hebben, omdat ze wisten dat ze elkaar nodig hadden. Ajax had een coach die het elftal aan de gang kreeg, en Michels kreeg er een sterspeler voor terug die het op een bijzonder niveau tilde.'

Verleidingen

De uitschakeling voor de Europa Cup door Dukla Praag en de verwijdering van Soetekouw en (tijdelijk) Pronk missen hun uitwerking op de selectie niet. Niet iedereen heeft de mentaliteit van de ideale prof. Zo vormt het centrum van Amsterdam met zijn vele cafés een verleiding die niet iedereen kan weerstaan. Daarom brengt Michels de zaterdagen met de selectie buiten de stad door. Nuninga: 'Hij heeft ons een heel seizoen naar een hotel in Zandvoort gebracht. Daar zaten we dus feitelijk in quarantaine. Hij heeft nooit uitgelegd waarom hij dat deed. Wij waren de dupe, zo heb ik dat althans gevoeld. Ik heb het hem ook gevraagd. Ik zei: ”Motiveer dat nou eens.” Ik vroeg hem dat met de andere spelers om mij heen. Toen zei hij: ”Dat komt nog wel.” Maar het kwam natuurlijk niet.' Van Duivenbode: 'Hij nam meer afstand naarmate de belangen groter werden. Hij creëerde een sfeer van angst. Ik heb daar niet zo veel last van gehad, heb het niet zo bewust meegemaakt, maar de jongere spelers wel.'

Omdat de spelers met hun klachten niet bij Michels terechtkunnen, besluit de club in 1967 tot de uitbreiding van de medische staf. Teamarts John Rolink en masseur Salo Muller dringen daar bij de trainer en het bestuur op aan; Rolink en Michels hebben kort daarop een gesprek met Roelf Zeven, een psychiater die tijdelijk werkzaam is in Amsterdam en als een van de weinigen in zijn beroep affiniteit heeft met sport. Zeven, nu: 'Michels en Rolink zeiden dat de spelers dringend behoefte hadden aan psychologische begeleiding.'

Zo begint een van de vreemdste episodes in de geschiedenis van Ajax. Als een goed psychiater snuffelt Zeven eerst aan de spelers.

Het duurt niet lang voor hij zijn ideale studie-object heeft gevonden. Zeven: 'Piet Keizer vond ik een interessante speler. Een voorbeeld. Hij had bij een wedstrijd die Ajax met 3-0 had gewonnen de laatste goal gescoord. Na afloop vroeg een journalist waar hij aan had gedacht, toen hij dat doelpunt maakte. Toen zei hij: Aan 4-0. Dat vond ik goed gevonden.'

Omgekeerd lijkt Keizer zich te vermaken met de aanwezigheid van Zeven. 'Als we ergens kwamen, bij uitjes en feesten, riep hij te pas en te onpas tegen het personeel: Dit is onze psychiater. Dat was toen nog niet zo in, dat je als team aan geestelijke begeleiding deed.' Zeven kan het karakter van de tegendraadse linksbuiten wel waarderen; Michels heeft er problemen mee. Hij geeft de psychiater de opdracht een gedragsanalyse van hem te maken: 'Michels zei: ”Werkelijk - ik snap er de ballen van. Leg het mij maar uit, hoe hij in elkaar zit.” Hij was oprecht in Keizer geïnteresseerd. Toen heb ik een verslag voor hem gemaakt, waarin ik een vergelijking trok met de dierenwereld. Je hebt push-raised people, dat zijn mensen die het gedrag vertonen van honden. Die moet je bevelen uitdelen, bijvoorbeeld: ”Knallen man, verdomme, nu!” En je hebt pull-raised people, die zijn als eenden, die trekken in groepsverband met elkaar op. Daar werken bevelen niet, of zelfs averechts. Keizer behoorde tot de laatste groep.'

Niet lang daarna besluit Ajax op aandringen van club-arts Rolink en masseur Salo Muller opnieuw tot uitbreiding van het medisch team. Zeven krijgt gezelschap van de psycholoog Dolf Grunwald. Het was geen gelukkige beslissing, zegt Zeven nu: 'Rolink was een beetje megalomaan. En dus kwam er een psycholoog bij. Kijk, ik hield afstand tot de spelers. Ik ging wel eens met ze pokeren, en ik ging mee met uitwedstrijden. Dan maakte ik een praatje met ze in het hotel. Grunwald zocht meteen de kleedkamer op. Ik heb dat altijd een idioot gedoe gevonden. Hij ging in de kleedkamer rollenspelen met de jongens doen. Swart moest Cruijff spelen en omgekeerd. Cruijff was ineens heel timide, en Swart zette een enorme bek op. Hij bleef maar praten. Toen heeft Michels mij gebeld: ”Je moet komen, want Swart gaat door het lint.” Ik heb daar verschrikkelijk de pest in gehad. Grunwald heeft het verknald, daarom hoor je nooit meer van onze betrokkenheid bij Ajax. Michels zei na dat voorval met de rollenspelen tegen mij: ”Jouw taak is vanaf nu om Grunwald in een ijzeren houdgreep te houden. Die man mag geen stap doen zonder dat je mij ervan op de hoogte stelt.” Het is een onmogelijke situatie. Na een klein jaar wordt Grunwald gedwongen te vertrekken. Zeven mag blijven, maar hij speelt voortaan een rol op de achtergrond.

Bijltjesdag

In de Nederlandse competitie blijft Ajax kampioenschappen verzamelen, maar internationaal wil het niet vlotten. Najaar 1967 ligt de club er al in de eerste ronde uit. Real Madrid blijkt net iets sterker. Het jaar daarop gaat het beter. Na overwinningen op FC Nurnberg uit Duitsland en het Turkse Fenerbahçe loten de Amsterdammers het gerenommeerde Benfica in de kwartfinale. De Portugezen winnen uit in het Olympisch Stadion in een roemruchte wedstrijd op een bevroren veld met 3-1. Een week later slaat Ajax met dezelfde score toe in Lissabon. In een beslissingswedstrijd in Parijs wint Ajax in de verlenging met 3-0. De Zweedse aankoop Inge Danielsson neemt twee goals voor zijn rekening, Cruijff scoort eenmaal. In de halve finale wordt ternauwernood gewonnen van het Tsjechische Spartak Trnava. In de finale tegen AC Milan gaat het mis. Ajax verliest kansloos met 4-1.

Na afloop van de verloren finale tegen Milan is het bijltjesdag in Amsterdam. Van Duivenbode en Nuninga mogen vertrekken. Twee andere spelers, Pronk en middenvelder Bennie Muller, worden naar de reservebank verwezen. Niemand wordt hierover door Michels ingelicht. Van Duivenbode: 'Ik moest bij het bestuur komen. Daar zaten ze: Van Praag, Timman. En Michels. Van Praag deed het woord. Hij zei: ”Theo, de trainer is van mening dat wij het volgende seizoen op een andere manier gaan voetballen. En je mag vertrekken.” Ik zat daar, het leek wel of ik een klap voor mijn hoofd kreeg. Ik was eerst verbaasd, en werd toen heel boos. Ik zei: ”Oké, mijne heren, zegt u maar hoeveel ik moet kosten, dan kan ik daar een nieuwe club over inlichten.” Van Praag antwoordde droog: ”Kom eerst maar eens met een club.” Toen werd ik nog pissiger. Wat me is bijgebleven: Michels zat erbij, maar hij zweeg. Van Praag was zijn boodschapper. Diezelfde avond om zeven uur was ik rond met Feyenoord. Ik had het geluk dat Feyenoord een trainer had (Ernst Happel - MdG) die op een bepaalde manier van voetbal hield, een manier die beter bij mijn kwaliteiten paste. Happel speelde positievoetbal.'

Pronk: 'Toen Hulshoff erbij kwam, ben ik naar het middenveld verhuisd. Ik kreeg van Michels als taak: het spel uit de tegenstander halen. Ik moest mijn aandacht richten op mijn directe tegenstander. Ik was er niet gelukkig mee, maar ik deed het wel. Ik wilde eigenlijk mooi voetballen, mooie dingen doen. Ik moest mij er wel tegen wapenen dat ik dat achterwege moest laten.

'Na de verloren finale tegen Milan vroeg ik aan Michels: ”Wat gaan we het volgend seizoen doen?” Niemand ging ervan uit dat we met dezelfde ploeg zouden spelen. Maar hij zei: ”Dit gaan we doen, dat gaan we doen - over mijn positie sprak hij niet.” Hij zei nog wel: ”We moeten karaktervoetballers worden.” En toen bleek ik er ineens naast te staan. Pas op de plaats rust. Op dat moment was ik razend. Ik vond het echt onrechtvaardig. Ik had een goed seizoen gespeeld en Michels had lovende woorden over mij gesproken. En ik had hem ernaar gevraagd. Het vervelende was: hij heeft het mij niet eens zelf verteld. Ik moest bij Jaap van Praag komen. Hij zei: ”We gaan een andere weg.” Ik heb er nooit wat over gezegd en ik wil er ook nu niet meer over praten. Het heeft met mijn karakter te maken: je bent Ajacied of niet (Pronk is tegenwoordig hoofd-scouting bij de club - MdG) Maar als mens krijg je dan wel een dreun. Je weet dat je je tekortkomingen hebt. En als de trainer er een ander type speler bijhaalt, is daar niets mis mee. Ik kan best accepteren dat anderen het beter doen. Maar zeg dat dan.'

Profmentaliteit

Aan het begin van het seizoen 1969-1970 laat Michels de teugels vieren. 'Gezien de resultaten van de afgelopen jaren en gezien het bereiken van de finale in het Europa-Cuptoernooi', schrijft hij in een openhartig stuk in Topclub Ajax van journalist Frits Barend uit 1970, 'dacht ik te kunnen uitgaan van een bepaalde profstatus en profmentaliteit bij de spelers. Ik dacht dat ik daar dan niet meer aan hoefde te werken, dat de discipline van bovenaf niet zo zwaar hoefde te zijn. Maar het bleek al spoedig dat men wel graag wat meer 'mens' wilde zijn (...) maar dat men vergat, dat de spelers bij een verlichte aanpak zelf meer verantwoordelijkheid moesten dragen. En dat lukte niet zo bijster.' Het experiment is geen lang leven beschoren.

Ajax koerst dat jaar weliswaar op het landskampioenschap af, maar makkelijk gaat het niet. Er zijn voortdurend ergernissen en ruzies tussen de trainer en enkele spelers. Keizer en Michels zijn zelfs niet meer on speaking terms, nadat de laatste heeft geweigerd de linksbuiten op eigen verzoek in de uitwedstrijd tegen Arsenal (voor de Jaarbeurssteden-beker, een voorloper van de uefa Cup) te wisselen, omdat hij geblesseerd zou zijn. In een televisie-interview zegt Michels weliswaar 'tevreden te zijn' over de ontwikkeling van het elftal, maar - 'het is een paradox' - 'nog nooit zo te hebben gemopperd als nu over de spelers. De persoonlijke oplossing van voetbalsituaties van een aantal spelers' is, aldus Michels, 'nog te schadelijk voor het directe effect van het elftal.' Vertaling: enkele voetballers weigeren 90 minuten lang in dienst van het collectief te spelen. Iedere wedstrijd in het topvoetbal is volgens Michels 'in wezen een knokpartij', wat betekent dat spelers 'op een gegeven moment over de schreef gaan.'

Wie daar niet voor voelt, dupeert het team.

Na de kampioenswedstrijd tegen het Schiedamse svv (18 mei 1970) komt het tot een openlijke confrontatie tussen Michels en de ploeg. Michels heeft die wedstrijd drie basisspelers uit de opstelling gelaten: Bals, Hulshoff en Mühren. De week daarvoor zouden Hulshoff en Mühren, tegen Telstar uit Velsen, te egoïstisch hebben gespeeld; voor het passeren van Bals wordt geen reden gegeven. Ajax wint de wedstrijd met 8-0. Na afloop houden de spelers onderling beraad of ze naar het kampioensfeest zullen gaan. Ze hebben genoeg van de grillen van Michels. Met acht stemmen voor en zeven tegen wordt besloten wel te gaan. Mühren, Hulshoff en Bals hebben daarop aangedrongen, maar zelf bedanken ze voor de eer. Bals gaat naar huis. Hulshoff en Mühren gaan uit eten. Hulshoff: 'De dinsdag daarop trouwde ik. Tijdens het huwelijk is Michels even naar me toegekomen, heb ik er met hem een paar woorden over gewisseld. Hij hield zijn mededelingen altijd kort.' Hulshoff en Mühren staan de woensdag daarop in de bekerfinale weer in de basisopstelling. Voor Bals valt het doek.

'Ik keek op de opstellingslijst tegen svv en ik zag dat ik er naast stond', zegt hij nu. 'In de kampioenswedstrijd - en ik was nog aanvoerder ook. Ik was behoorlijk kwaad. Michels heeft er niets over gezegd, waarom hij mij er naast had gezet. Ik ben toen meteen naar het bestuur gestapt. Ik zei tegen Van Praag: 'Als het zo moet, ga ik weg.' Hij antwoordde: 'Dat is goed. Je bent vrij om te gaan.' Ik was 33; het seizoen ervoor was ik nog gekozen tot speler van het jaar van de Nederlandse competitie. En toen mocht ik ineens weg. Michels is wel ter ore gekomen dat ik er prijs op stelde als hij er met mij over zou willen praten, maar daar is het nooit van gekomen.'

De spelersopstand na de wedstrijd tegen svv maakt grote indruk op Michels. In twee stukken, in Topclub Ajax en in een interview in Lucky Ajax van Rik Planting uit 1996, komt hij terug op zijn beslissing om Hulshoff, Mühren en Bals destijds te passeren. Tegen Planting zegt Michels: 'Ik weet bijna zeker dat ik dergelijke beslissingen motiveerde.' In Topclub Ajax is hij nog stelliger: 'Met Hulshoff en Mühren heb ik uitvoerig gepraat; met Bals trouwens ook. Daar is een complex van factoren bij komen kijken, die ik voor mijzelf moet houden.' Dat de betrokkenen zich van een dergelijk 'uitvoerig' gesprek niets kunnen herinneren, is niet zo vreemd. Het heeft nooit plaatsgevonden. Michels praatte immers nooit 'uitvoerig' met de voetballers, en al helemaal niet met spelers met wie hij in onmin leefde of van wie hij afscheid aan het nemen was. In Topclub Ajax verklaart hij overigens na de wedstrijd tegen svv overwogen te hebben om ontslag te nemen.

Het nieuwe seizoen begint hij weliswaar met frisse moed, maar 'ik kan wel zeggen dat de houding van sommige spelers mij niet bevallen is. Maar dat zal omgekeerd ook wel het geval zijn geweest. Je kon je na dat kampioenschap afvragen, of het doel de middelen wel heiligde.'

Feest

Een klein jaar later, op 2 juni 1971, vieren Michels en de spelers feest in de kleedkamer van het oude Wembley-stadion. In de finale van de Europa Cup is het Griekse Panathinaikos in Londen met 2-0 verslagen. Of beter: bijna iedereen viert feest. Michels, die de wedstrijd met het zweet in zijn handen heeft gevolgd, heeft in de pauze rechtsbuiten Sjaak Swart gewisseld voor middenvelder Arie Haan. Swart heeft zich niet aan zijn 'taak' gehouden; hij liet volgens Michels de linksback van Panathinaikos te veel komen. Swart is ontroostbaar - hij was nog nooit gewisseld - wat ook de meegereisde en zich (bij wijze van uitzondering) in de kleedkamer ophoudende psychiater Roelf Zeven opvalt. Zeven klampt Michels aan. Hij zegt het 'zielig' te vinden voor Swart. 'Ik vroeg hem', zegt Zeven nu, 'of het nou echt nodig was om Mr. Ajax (de bijnaam van Swart - MdG) eruit te halen.' Zeven komt het spelershotel, waar hij bij Europa-Cupwedstrijden doorgaans logeert, niet meer in.

De dag daarop, terug in Nederland, worden spelers en trainer toegejuicht door tienduizenden fans. Michels lijkt vooral opgelucht dat het karwei erop zit. Als een journalist hem vraagt of hij blij is met het winnen van de Cup, antwoordt hij: 'Als je weet hoeveel moeite het gekost heeft, dan ben je d'r blij mee.' Het klinkt niet enthousiast. Enkele weken later vertrekt hij naar Barcelona.

Wie in elk geval niet blij is, is Roelf Zeven. Hij gaat niet met de Ajacieden mee naar paleis Soestdijk, voor een bezoek aan koningin Juliana. Hij 'is bekaf van alles' en wordt in zijn woonplaats Leiderdorp afgezet. Zijn tijd als psychisch begeleider van Ajax zit er op. Voortaan legt hij zich toe op tuinieren.

Die zomer krijgt Gert Bals in zijn woonplaats Velp bij Arnhem een telefoontje van Rinus Michels. De kersverse trainer van Barcelona vraagt of hij even langs mag komen. Bals, nu: 'Toen hij binnen was, zei hij dat de keeper en de reservekeeper van Barcelona waren geveld door griep. Hij had geen vervanger meer, en vroeg of ik mee wilde naar Düsseldorf, als stand-in. Barcelona speelde daar een oefenwedstrijd. Dat heb ik toen gedaan. Hij vroeg: 'Wil je meedoen?' En dat was het. Het is in de voetbalwereld vreemd, hoor. Je moet soms maar net doen of je gek bent. Ik kan niet lang kwaad blijven. Daarom heb ik ja gezegd.' Michels komt hem ophalen. De Skoda is inmiddels ingeruild voor, aldus Bals, 'een luxe automobiel.' Ze rijden gezamenlijk naar Düsseldorf. Over het afscheid van Bals bij Ajax, het seizoen daarvoor, wisselen trainer en keeper geen woord. M

Menno de Galan is redacteur van het tv-programma Nova en schrijft regelmatig voor M.

Mariet Numan is illustrator.

[streamers]

'Hij begon gelijk dat je dacht: poeeehhh! Je wist meteen waar je aan toe was. Het was echt: meneer of trainer.'

Na afloop van de verloren finale tegen Milan is het bijltjesdag in Amsterdam.

Van Duivenbode en Nuninga mogen vertrekken.

'Ik kan wel zeggen dat de houding van sommige spelers mij niet bevallen is. Maar dat zal omgekeerd ook wel het geval zijn geweest.'