Taalbezoedeling

Anglicismen in de Nederlandse taal vormen een voortdurende bron van opwinding, zoals dat in de jaren dertig het geval was met germanismen – destijds aanleiding voor de oprichting van het Genootschap Onze Taal. In het blad Onze Taal looft de Stichting LOUT (Let Op Uw Taal) nu boekenbonnen uit voor adequate vertalingen van Engelse termen: aangever voor sidekick, koffiekussentje voor coffeepad, etc. Het is een onderhoudende maar verloren strijd. Waar nog maar kort geleden rond deze tijd uitverkoop werd gehouden, heerst nu alom de sale. Op debatplaats.nl woedt een discussie over Schiphol waar de wegbewijzering in het Nederlands geheel is afgeschaft. ,,We moeten inzien hoe bijzonder het is voor een klein land als Nederland om een eigen taal te hebben'', schrijft een verontruste passagier. ,,Dat zet je niet uit gemakzucht bij het oud vuil.''

Vaak is het eerder dikdoenerij dan gemakzucht: waarom starten als beginnen ook kan? Waarom checken (of erger: nachecken) in plaats van nakijken of verifiëren? Of handelen waar hanteren wordt bedoeld? De wereld van telefonie (ringtones), televisie (quizshow) en reclame (marketingtool) is ervan vergeven, om over het management nog maar te zwijgen. In de conversaties wordt je steeds vaker een complete Engelse zin toegevoegd: ,,Timing is everything.'' Laatst las ik op een wervingsaffiche van de marine: Score een job. Pogingen om het computerjargon hier te lande als in Frankrijk enigszins te vertalen (inhoud voor content, bestand voor file, opslaan voor saven) liepen op niets uit.

Ook van straattaal gaat invloed uit. Dit multiculturele slang, door jongeren in stadswijken gesproken, vormt een mengeling van Surinaams, Turks, Berbers en Engels. ,,Die bakra is weri hoor, ennuh, misschien ga ik 'm doodvermoorden'', registreerde Het Parool in 1997 al op straat. Naar aanleiding van deze trend is alweer zorgelijk vastgesteld dat in het Nederlands de leenwoorden en verbasteringen oprukken en onze jeugd straks niet meer past in het taalkundig gareel. Maar over enige tijd vinden we vermoedelijk termen als dissen (iemand in de maling nemen), jangen (eten), pekie (mooi meisje, vriendin) of lauw (goed, mooi) in de Dikke Van Dale. Zoals woorden uit het Frans en Hebreeuws, waartegen ooit ook is geageerd, nu tot ons onvervreemdbaar idioom behoren.

Wie protesteert tegen buitenlandse invloeden op de Nederlandse taal, bevindt zich inmiddels in verdacht gezelschap. Op het internetforum van het ultra-rechtse Stormfront (onderdeel van de White Nationalist Community) stelt een deelnemer: ,,Al die buitenlandse invloeden kunnen op den duur wel eens zorgen voor de ondergang van onze taal.'' Elders verbeiden Nederlandse leden van WPWW (White Pride World Wide) de dag dat `Groot Dietsland' een feit is. Vanaf dat moment is het Diets-Nederlands van vreemde smetten vrij, beloven zij. Restaurant wordt dan eettent, chauffeur bestuurder, portemonnee geldbuidel en trottoir stoep.

Het moet voor de taalpurist een troost zijn dat deze vorm van behoudzucht behalve van alle talen óók van alle tijden is. Ter relativering het appèl van Thomas Fonteyn dat ik vond in zijn Nederlandtsche Woorden-Schat. Hij meende dat Nederlanders ,,onze moeder-taal, die wy ten koste van so veel bloedt, manhaftelijk in oude tijden vergooten, met onze vrijheidt voor de inbreuk der werelddwingende Romeinen ongekreught behouden hebben'', `lafhartig' en `met de armen over elkaar' lieten `bezoedelen'. De auteur verwierp het woord intellect, waarvoor vernuft of kennis moest worden gebruikt. Technologie moest kunstkunde worden, ingenieur bolwercker of vernuftelingh en filosofie wijsbegeerte. Fonteyn waarschuwde de Nederlanders dat de zuiderburen hun taal wel zuiver hielden: ,,Vrankrijk, Italien, Spanjen slooven 't merg hunner herssenen uit, om hun taalen, die te gelijk met haar nek het juk der roomsche slaaverny ontfangen hebben, te beschaaven...'' Gelukkig waren er nog auteurs als Vondel, Hooft en Huygens die getracht hebben ,,in louter nederlandsch, buiten hulp van basterdtwoorden haar begrippen heerlijk op 't papier te schildren''.

Wie zich ergert aan checken moet beseffen dat voor Fonteyn het woord verifiëren ook niet door de beugel had gekund. Hij verwoordde zijn reprimande, eh, berisping, op de kop af 350 jaar geleden.