Ook vierjarigen hebben intense belangstellingen

Ook jonge kinderen, van rond de vier jaar, vertonen al nadrukkelijk fascinaties voor onderwerpen als dinosaurussen, treinen of paarden. Uit een onderzoek onder 211 vierjarigen (iets meer jongens dan meisjes) blijkt dat zo'n 30 procent een tijdje zo'n interesse heeft, 40 procent van de jongens, 12 procent van de meisjes. Meer dan de helft van deze kinderen onderhield zo'n interesse langer dan vier maanden (36 jongens, zes meisjes). Dit percentage van zo'n 20 procent hardnekkige belangstelling ligt niet ver van de schattingen door onderwijzers over het percentage oudere kinderen met een `intense belangstelling'. Deze kinderen met een langdurige fascinatie waren niet alleen iets intelligenter dan de anderen, maar ook de sfeer in hun gezin verschilde. Bij hen thuis bleek sterker dan bij anderen de nadruk te liggen op onderlinge communicatie, duidelijke structuur, consistentie en `vrij spelen'. Dit blijkt uit een onderzoek van de Amerikaanse psychologe Kathy E. Johnson van de universiteit van Indiana (Cognitive Development, juli).

In onderwijskundige kringen bestaat al langer belangstelling voor het fenomeen van deze `intensieve belangstelling', maar Johnson is de eerste die het bij kleuters onderzocht. De `experts' onder hen bleken het verrassend goed te doen. Om de kwaliteit van hun kennis van hun `hobby-onderwerp' te testen vroegen Johnson en haar collega's de kinderen zoveel mogelijk soorten (auto`s, dino`s, Pokemons, etc.) te noemen en over iedere soort zoveel mogelijk te vertellen. De kleuters bleken daarin zelfs nauwelijks onder te doen voor zevenjarige experts, die in een eerder onderzoek aan dezelfde test onderworpen waren. Een aantal ouders vertelde dat hun expertje vanaf het begin een `honger' naar informatie over het onderwerp ontwikkeld had.

Het belang van de gezinscultuur in het ontwikkelen van de interesse is niet opzienbarend omdat kinderen in deze leeftijd nog erg afhankelijk zijn van hun ouders voor informatie over de wereld. Zonder toegewijde ouders krijgen de kinderen geen antwoorden op hun vragen. Maar tot nu toe was de rol van de opvoeding nooit onderzocht, ook niet bij oudere kinderen.

Belangstelling voor specifieke onderwerpen legt het fundament voor latere kennisverwerving, zo schrijft Johnson. Vaak richt de scherpe belangstelling zich op fenomenen die duidelijk omlijnd zijn, gehoorzamen aan specifieke wetten en goed in te delen zijn in categorieën en subcategorieën (`feitenverzamelingen'). In dit kenmerk ligt mogelijk ook een reden voor de dominantie van jongetjes want zij zouden meer voor systematiek voelen dan meisjes. Overigens kan dat verschil best door de opvoeding veroorzaakt worden, aldus Johnson. De meeste van de intensieve interesses vallen onder wetenschap, met veel biologie (insecten, dinosaurussen) en veel machines (treinen, auto's).

Johnson heeft niet alleen gekeken naar `inhoudelijke interesses', waarin dus de jongens domineren. In creatieve en `sociodramatische' interesses domineerden de meisjes: tekenen, toneelspelen. Helaas heeft Johnson niet onderzocht in hoeverre dit type belangstelling langer dan vier maanden aaneen bleef bestaan.