Montalto Ligure

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week in de Valle Argentina in Noord-Italië.

Langs het pelgrimspad – brede vergleden treden van ingelegde kiezels – staan kleine heiligdommen, proefstolletjes voor de kapel bovenaan. Kamperfoelie strekt haar verleidelijke vingertjes. Na het echte Santuario (op slot en verlaten, op een geel kwispelhondje na) begint het serieuze stijgen. Een door loof en larix beschaduwd zigzagkeienpad voert naar fruitgaarden, wijnveldjes en akkers. De courgettes exposeren hun gele bloemen, en die ruïnes zijn helemaal geen ruïnes, die zijn opgeruimd en daar staat bijvoorbeeld een wit geëmailleerd houtfornuis in, met ringen in de kookplaat en bolle luikjes op de buik.

De bomen worden struiken, de zon stijgt. Puffend en druipend arriveren we op de bergkam. We horen belletjes en gemekker, zien alleen een geduchte witte hond maar ruiken schaap. Schapen houden van broodpap, dat zit in die gele teil.

Ik schreeuw omdat ik uitglijd (vallen, schuiven, het lijkt lang, het duurt kort, hoe groot gaat de klap zijn?) en uit een onzichtbare hut komt een man tevoorschijn. Zijn gezicht hoort thuis op een Griekse vaas: groot, dik diepzwart haar, zware lijnen. Onder zijn rechteroog bloedt een schram in de vorm van een zwiepende tak.

,,Komt u een stuk kaas eten?''

Goed idee. Hij is de herder van de schapen, het zijn er negenhonderd, en hij is Sardijn. Kaas op tafel. Klik!, knipmes ernaast. Man legt, klap!, zijn opinel-mes erbij. Wat wij hier doen? Wandelen? Hij ook, de hele dag. Ik denk aan de herdersfilm Padre Padrone, aan tenondergaan in eenzaamheid. Of hij mijn gedachten leest, vertelt hij dat hij elke avond naar Taggia terugkeert. In die stad hebben hij en zijn neef een winkel met kaas en ricotta en een groot huis van rode steen.

We volgen de bergkam, uitkijkend over noeste valleien met vloeiende bossen en dorpen per klont en rijtjes olijfbomen op terrassen. Duizenden kleuterkrekels springen voor onze voeten weg. Na een kapel vol schapenstront ('schande' staat er op de deurpost ge-graffitied) volgt een slip- en glip-afdaling langs de tweede kam. Man is geen klimmer en ik ben geen daler, dus opschieten is er niet bij. Is dat een punt? Nee.

Over het spoor woekeren stekelstruiken. Voor ik op het idee kom de broekspijpen aan te ritsen zijn mijn kuiten overdwars gestriemd. Daar ga ik vanavond mee opscheppen.

Het water is op, we moeten nog ver. En dan treffen we een moerbeiboom. De zware vruchten laten los als je ze aanraakt, ze smelten tegen je verhemelte. Voorlopig houd ik mijn vingertoppen in dit gelukzalig rood.

13 km, 950 m stijgen, 900 m dalen. Rondwandeling op basis van etappe van SNP-wandelreis door Ligurië.