Met Kerry in één schuitje

Als president zal Kerry meteen de Europeanen en de overige bondgenoten van de VS dringend vragen om zich aan te sluiten bij zijn oorlog tegen het terrorisme, meent Timothy Garton Ash.

`Ik geloof dat ze naar Chicago of ergens anders heen willen en tegen een gebouw op vliegen – Maak je geen zorgen, Pap – Als het gebeurt, zal het heel snel gaan – O God, o God.''. Peter Hanson, een passagier op vlucht 175 van United Airlines, spreekt met zijn vader, Lee Hanson, om 9uur 's morgens op dinsdag 11 september 2001. Hij gelooft dat hij ieder moment kan sterven. Met het instinctieve mededogen van een zoon probeert hij over zijn graf heen zijn vader te troosten: ,,Maak je geen zorgen, Pap – Als het gebeurt, zal het heel snel gaan.'' Twee minuten later ramt zijn vliegtuig het World Trade Center in New York en is Peter Hanson dood.

Dit afschrift van een telefoongesprek uit het onlangs gepubliceerde rapport van de Amerikaanse 11/9-commissie herinnert ons eraan waarom de Verenigde Staten nog altijd vinden dat ze in oorlog zijn. Terwijl ik dit schrijf is net in Washington, evenals eerder in New York, de op één na hoogste alarmfase tegen terroristische aanvallen van kracht geworden. President Bush heeft bekendgemaakt dat er een nieuw nationaal hoofd van de inlichtingendiensten zal worden benoemd en dat een nieuw centrum voor terrorismebestrijding zal worden ingesteld, waarmee hij snel enkele cruciale aanbevelingen van de uit leden van beide partijen bestaande 11/9-commissie overneemt.

Volgens een recente peiling zijn de strijdkrachten de instelling in de VS waarin de mensen veruit het meest vertrouwen hebben. Vier van de vijf Amerikanen zeggen vertrouwen te hebben in de strijdkrachten, terwijl maar één van de vijf het Congres vertrouwt. Bij de presidentsverkiezingen weegt een krijgshaftig imago het zwaarst: het is alsof Bush en Kerry vooral kandidaat zijn voor het ambt van opperbevelhebber.

John Kerry begon zijn aanvaardingsspeech op de Democratische conventie vorige week met een militair saluut en de woorden: ,,John Kerry meldt zich voor de dienst.'' Hij werd aangrijpend ingeleid door een veteraan die in de strijd in Vietnam twee benen en een arm verloren had. Op het podium stonden nog andere Vietnam-veteranen, die samen met John Kerry op een van de zogenaamde snelle boten op de Mekong hadden gediend.

Die snelle boot leverde de metafoor voor heel Kerry's redevoering. Zinspelend op zijn band of brothers zei hij: ,,We mogen dan wat ouder zijn en wat grijzer, maar strijden voor ons land zijn we nog niet verleerd.'' Met een gebaar naar een reusachtige Stars and Stripes haalde hij de herinnering op dat de Old Glory altijd wapperde ,,van de geschuttoren vlak achter mijn hoofd; hij werd steeds weer door kogels geraakt, tot de flarden erbij hingen, maar hij bleef wapperen in de wind''. Tegen het slot kwam hij nogmaals terug op de kanonneerboot, toen hij stelde dat voor de mannen die erop dienden verschillen in ras of achtergrond geen rol speelden. ,,Dat is het soort Amerika dat ik als president zal leiden: een Amerika waar wij allemaal in hetzelfde schuitje zitten.''

Dit soort ongegeneerd, emotioneel, militant patriottisme is in het huidige Europa ondenkbaar. Ik heb er hier in Californië vele uren aan de buis gekluisterd naar zitten kijken. Daarbij voelde ik tegenstrijdige emoties: iets van afgunst op een natie die nog altijd over het vertrouwen en het optimisme beschikt om een beroep te doen op die simpele, primaire kleuren – ,,vrijheid en geloof en gezin'', zoals Bill Clinton het noemde in een briljante speech. Tegelijk maak ik me zorgen dat mijn emoties worden gemanipuleerd, want deze Democratische conventie was geregisseerd als een Hollywoodfilm (Steven Spielberg heeft geholpen met de documentaire die Kerry introduceerde). Voeg daarbij een scheut goeie ouwe Europese ironie over de patriottische kitsch.

John Kerry heeft dapper gediend in Vietnam, maar het was maar viereneenhalve maand. We zullen er heel wat langer over horen. Ik moest denken aan een oude Tsjechische grap over de legendevorming rondom de nationale opstand van de Slowaken tegen de nazi's: ,,Wat duurde langer, de Slowaakse opstand of de film over de Slowaakse opstand?'' En toch gaf het hele gebeuren mij sterk het gevoel dat hier, tussen die enthousiaste mannen en vrouwen van uiteenlopende kleur en achtergrond, het andere, betere Amerika was, waarop Europa tussen alle Cheneys, Rumsfelds en Bushen het zicht verloren had.

Wij begrijpen natuurlijk allemaal wat deze oorlogsvertoning te betekenen heeft: de Democraten bezetten uitdagend het bolwerk van patriottisme en nationale veiligheid dat het Witte Huis van Bush als strijdperk van deze verkiezingen gekozen heeft. Om de oorlog tegen het terrorisme te winnen, kunnen de zwevende kiezers beter vertrouwen op de doorgewinterde Vietnamveteraan Kerry dan op dienstplichtontloper Bush.

Kerry's kritiek op de manier waarop de oorlog in Irak is gevoerd – Amerika heeft er zijn vrienden in heel de wereld mee van zich vervreemd, en heeft geen behoorlijk plan om de vrede te winnen – is ijzersterk. Vrijwel alle punten van kritiek die Europeanen tegen de regering-Bush hebben aangevoerd, zijn door de Democraten op hun conventie herhaald. Zij spraken met vuur over het milieu; zij stelden de afhankelijkheid van Verenigde Staten van ,,buitenlandse olie'' aan de kaak; zij herhaalden telkens weer dat Amerika deze oorlog niet op eigen houtje winnen kan.

Zal deze campagnestrategie werken? Ze zeggen wel dat Kerry een sterke eindspurt heeft, maar bij mij knaagt het gevoel dat hij in vergelijking met de joviale Bush toch weleens te afstandelijk, te stijf zou kunnen zijn voor de zwevende kiezers. (Een journalist die Kerry als senator in Boston heeft gevolgd, gaf hem een dodelijk compliment: John Kerry, zei hij, is een ideale president – voor Frankrijk.)

Er zal nog veel afhangen van wat er gebeurt in de laatste weken van de campagne, in Amerika en in Irak. Als het mogelijk zou zijn zonder dat er meer Amerikaanse militairen in bodybags naar huis komen, en zonder dat er tientallen gewone Irakezen sterven voor iedere Amerikaan, zou ik de machiavellistische hoop uitspreken dat tot aan de verkiezingen de toestand in Irak maar zichtbaar mag verslechteren, om dan na 3november spectaculair te verbeteren.

Als Kerry het met de hakken over de sloot haalt, zal Europa kennismaken met een president die een in vrijwel alle opzichten meer gelijkgestemd Amerika leidt. Maar het gewone leventje van vóór 11 september 2001 komt niet terug. De crux van het verschil is nu duidelijk. Alle Amerikaanse leiders vinden dat wij in oorlog zijn, terwijl de meeste Europese leiders vinden dat er vrede heerst.

Aanvankelijk dacht de regering-Bush dat de Verenigde Staten deze oorlog desnoods op eigen houtje zouden kunnen winnen. Het uitgangspunt van een regering-Kerry zal zijn dat deze oorlog alleen maar kan worden gewonnen in samenwerking met Amerika's vrienden en bondgenoten overal ter wereld. Zij zal ons dan ook vragen om meteen een bijdrage te leveren. Kerry's zorgvuldig vaag gehouden recept voor de toekomst van Irak is dat door er meer bondgenoten bij te betrekken het aantal Amerikaanse troepen aldaar zou kunnen worden verminderd.

Als Europa een béétje verstand heeft, moeten wij nu al bedenken wat wij op zo'n verzoek van de Democraten gaan zeggen. Ons antwoord zal moeten zijn `Ja, mits...'. Ja, mits jullie je weer inzetten voor een vredesproces tussen Israël en Palestina. Mits jullie erkennen dat Irak onderdeel moet worden van een veel breder project voor hervorming en ontwikkeling in het Midden-Oosten, dat Amerika en Europa alleen gezamenlijk tot stand kunnen brengen. Mits jullie je beloften waarmaken om alternatieve energiebronnen te ontwikkelen, en iets doen aan je buitensporige kooldioxide-uitstoot, en weer meedoen met de internationale verdragen en instellingen die de regering-Bush heeft afgeschaft of genegeerd.

Wij zitten allemaal in hetzelfde schuitje, en dat willen wij ook. Maar voordat schipper Kerry volle kracht vooruit geeft, zullen wij het eens moeten worden, niet alleen over de manier waarop de strijd moet worden gevoerd, maar ook over de vraag wie nu precies de vijand is en waar wij nu precies in verstrikt zitten.

Timothy Garton Ash is schrijver en historicus. Hij is verbonden aan het St. Antony's College in Oxford. Van hem is onlangs bij Penguin verschenen `Free world: why a crisis of the West reveals the opportunity of our time'.