Het sceptische godsbesef van psycholoog William James

In twaalf afleveringen schrijft schaker Hans Ree over de grote geesten die zijn leven hebben beïnvloed.

Iedereen hield van William James (1842-1910) en zelfs de strenge Bertrand Russell prees hem om zijn hartelijkheid en zijn gevoel voor humor, voor hij ging uitleggen wat er verkeerd was aan zijn filosofische inzichten. James maakte van zijn wetenschappelijke tegenstanders geen vijanden, want hij had de zeldzame eigenschap dat hij niet alleen in theorie ruimdenkend was, maar ook in de praktijk, en dat hij oprecht kon genieten van een geschrift waarmee hij het volstrekt oneens was.

Hij was misschien de eerste in de wereld die een psychologisch laboratorium inrichtte, in 1875 aan de Harvard universiteit, maar hij hield meer van filosoferen dan van meten en tellen. Zijn opvatting over de taak van de filosoof - richtingaanwijzers neerzetten in het landschap, zodat de wandelaars minder kans hebben te verdwalen - werd door velen gezien als veel te bescheiden en zelfs als een beetje platvloers. Toch wordt hij beschouwd als de vader van de Amerikaanse experimentele psychologie en als de grootste Amerikaanse filosoof.

Hoogste cijfer

Van college geven hield hij niet erg, want hij vond het moeilijk om al improviserend iets te vertellen dat fris was en origineel. Maar juist door die losse stijl droegen veel leerlingen hem op handen. Een van hen was Gertrude Stein, die in The Autobiography of Alice B. Toklas beschrijft hoe ze op een mooie lentedag examen moest doen bij James. Ze leverde een papier in met alleen een neergekrabbelde verontschuldiging: 'Het spijt me heel erg, maar vandaag ben ik echt niet in de stemming voor een filosofisch examen.' De volgende dag ontving ze een briefkaart van James. Hij schreef: 'Ik begrijp volkomen hoe u zich voelt. Ik voel me zelf ook vaak zo', en hij gaf haar het hoogst mogelijke cijfer.

Deze anecdote schijnt op waarheid te berusten, al moest Gertrude Stein later voor de eerlijkheid wel een vervangend examen doen. James zag inderdaad niet graag dat zijn leerlingen de academische filosofie als iets heiligs beschouwden. In 1892 schreef hij tijdens een van zijn vele Europese reizen aan een vriendin in de Verenigde Staten: 'Wat een akelig beroep is dat van professor - betaald om te praten, praten, praten! Ik heb kunstenaars bleek en ziek zien worden als ik tegen hen praatte zonder te kunnen stoppen. En ik hield van ze, juist omdat ze niet in staat waren meer van mij te houden. Het zou een akelig universum zijn als alles kon worden omgezet in woorden, woorden, woorden.'

James was blijmoedig, energiek en humoristisch, maar het was hem niet aan komen waaien. In zijn boek The Varieties of Religious Experience is het hoofdstuk 'The Sick Soul' met de meeste hartstocht geschreven en een vaak geciteerde passage is een zelfportret als de zieke ziel die hij was geweest. James deed alsof het een getuigenis was die hij uit het Frans had vertaald, maar dat was niet zo.

Als anonieme 'Fransman' beschreef James hoe hij in een toestand van filosofisch pessimisme en algemene depressie plotseling bevangen werd door een afschuwelijke angst om zijn bestaan: 'Tegelijk kwam in mijn geest het beeld van een epileptische patiënt op die ik in een inrichting had gezien, een zwartharige jongen met groenachtige huid, totaal uitdrukkingsloos, die daar de hele dag zat op een van de banken, of beter gezegd de planken bij de muur, met zijn knieën opgetrokken naar zijn kin, en het ruwe grijze onderhemd, zijn enige kledingstuk, daarover heen, zodat het zijn hele gestalte inpakte. Hij zat daar als een soort gebeeldhouwde Egyptische kat of een Peruaanse mummie en hij bewoog niets anders dan zijn zwarte ogen en zag er volstrekt onmenselijk uit. Dit beeld en mijn angst gingen een soort verbinding met elkaar aan. Die vorm ben ik, voelde ik, in potentie. Niets dat ik heb kan me verdedigen tegen dat lot, als het uur voor mij zal slaan, zoals het voor hem geslagen heeft.'

James had een slechte gezondheid en in zijn jonge jaren leed hij aan depressies en overwoog hij zelfmoord. Hij trouwde laat en hij vond ook pas laat een beroep en in beide gevallen werd hij geremd door onzekerheid over wie hij was en wat hij kon. Zijn blijmoedigheid en humor waren een overwinning op het zieke deel van zijn persoonlijkheid. Een zieke ziel zat volgens James in iedereen die verstand en gevoel had, maar de ziekte moest bevochten worden, met lichaam en geest. James had een zwak hart, waar hij tenslotte aan zou sterven, en juist daarom werd hij een energiek bergbeklimmer.

Religie en wetenschap

Zijn magnum opus is Principles of Psychology (1890), twee kloeke delen van samen zo'n 1400 pagina's. Het wordt in de psychologische literatuur nog vaak geciteerd en kan ook door leken met plezier gelezen worden, maar de reden dat James in mijn heldenserie is opgenomen is een ander klassiek werk.

The Varieties of Religious Experience (1902) maakte dertig jaar geleden een grote indruk op me. Nog goed herinner ik me dat ik een vriend het advies gaf om dat boek eens te lezen en dat de titel alleen al een bulderende schaterlach bij hem opriep. Jammer, want het minste dat je van het boek kan zeggen is dat het mooi geschreven is. Net als zijn broer Henry, de romanschrijver, was William James een groot stilist.

Het boek bevat de tekst van een reeks lezingen die James in 1901 en 1902 aan de universiteit van Edinburgh gaf. In de loop van die jaren groeide zijn publiek en dat kwam niet alleen door zijn welsprekendheid, maar ook doordat de toehoorders het gevoel hadden dat wat hij zei hun persoonlijk aanging.

Ook toen al voelden ontwikkelde christenen zich ongemakkelijk door de gedachte dat hun geloof mischien niet meer was dan een illusie waar de wetenschap korte metten mee zou maken. James bood hun een verzoening van religie en wetenschap op een manier die later heel gebruikelijk is geworden: om God te redden ondermijnde hij de theologie. Religie was voor hem een emotionele keuze die niet met rationele argumenten gefundeerd kon worden.

Heiligen en zondaren

Hij sprak in Edinburgh als wetenschapsman, als psycholoog, en aan de hand van honderden getuigenissen van heiligen en zondaren schetste hij een weids panorama van religieuze gemoedstoestanden en ervaringen, die je de indruk geven dat er evenveel vormen van religie zijn als menselijke temperamenten. En ook leren ze je dat het weinig zinvol is om religie achterlijk te noemen, omdat het hier niet gaat om meningen die achterhaald kunnen zijn, maar om een antwoord op menselijke behoeften die niet zo snel zullen verdwijnen.

'Er is iets mis met ons, maar we kunnen hulp vinden bij iets dat groter is dan wij', dat was volgens James de gemeenschappelijke kern van de verschillende vormen van religie. Dat er iets mis met ons is valt moeilijk te ontkennen, maar is er ook werkelijk hulp?

Persoonlijke ervaringen van een contact met dat 'grotere' buiten ons had James niet, al probeerde hij zulke mystieke ervaringen op te roepen met chloroform, hasjiesj, opium, mescaline en lachgas. En bovendien, als de mystici spreken over een contact met een hogere macht, dan hoeft aan hun ervaringen niet getwijfeld te worden, maar een objectief bestaan van die macht is weer wat anders.

James twijfelde meer dan hij het deed voorkomen. Hij noemde zich christen en hij geloofde aan het objectief bestaan van iets dat hij God wilde noemen, maar hij was zich er terdege van bewust dat zijn religie voortkwam uit de wil om door geloof een beter mens te worden en niet uit rationele overwegingen.

Bertrand Russell schreef in 1946 in History of Western Philosophy dat James een geloof wilde bouwen op een fundament van scepsis, een paradoxaal streven dat Russell omschreef als 'een vorm van de subjectivistische waanzin die karakteristiek is voor de meeste moderne filosofie.' Helemaal waar was dat niet, want James geloofde niet in een filosofisch fundament voor wat dan ook. Eerst kwam het leven en pas dan de theorie.

Wandeling met Freud

In 1909 ontmoette James Sigmund Freud, die in gezelschap van Carl Jung een Amerikaanse toernee maakte. James had in al in 1894 op het belang van het werk van Freud gewezen, maar in feite waren deze twee sterren van de psychologie elkaars tegenpolen.

'We moeten onze classificaties nooit te serieus nemen', was een karakteristieke opmerking van James, die een afkeer had van ieder systeem met algemene waarheidspretenties. Net als Freud had James het vaak over het 'onderbewuste', alsof het een concreet ding was. Maar James wist dat het door de tirannie van de taal kwam, die hem dwong zelfstandige naamwoorden te gebruiken voor vage verschijnselen die in de taal een verraderlijke concreetheid lijken te krijgen.

James luisterde naar een lezing van Freud en was niet overtuigd door de Freudiaanse seksuele mythologieën. Aan een leerling schreef hij: 'Ze zullen zeker licht werpen op de menselijke natuur, maar ik moet bekennen dat hij op mij persoonlijk de indruk maakte van een man die geobsedeerd is door een idee-fixe.'

Niettemin konden de heren het goed met elkaar vinden. Ze maakten een wandeling en Freud schreef later: 'Hij stond plotseling stil, gaf me een tas die hij droeg en vroeg me om door te lopen, en hij zei dat hij achter me aan zou komen zodra hij een aanval van angina pectoris doorstaan had die er aan kwam. Hij stierf een jaar later aan die kwaal en ik heb altijd gewenst dat ik even onbevreesd zal zijn als hij was in het gezicht van de naderende dood.'