Het is niet mijn schuld

In de serie Italiaanse klassieken op dvd deze maand Nella città l'inferno van Renato Castellani. Meesterlijk samenspel van Anna Magnani en Giulietta Masina.

Ga direct naar de gevangenis. Ga niet langs Start.

Bedoeld of onbedoeld, de makers van het Monopoly-spel die deze opdracht verzonnen, raakten met die twee zinnetjes aan de essentie van wanhoop.

'Ga niet langs Start.'

Het klinkt weinig spectaculair, maar erger verbod bestaat niet. Een begin is er niet meer voor jou, betekent het, jouw kaarten zijn geschud. Je zit vast, je hebt verloren. Tenzij er een wonder gebeurt en geloof me, schatje, wonderen zien we hier heel weinig.

Lina, een ouder meisje van 26, mag naïef zijn en Monopoly zal wellicht niet doorgedrongen zijn tot haar ouderlijk dorp, maar ze is zich dit vonnis terdege bewust. 'Het is een vergissing!' schreeuwt ze. Helpt niets. De zware deur wordt achter haar gesloten. Dieper en dieper wordt het sidderende wezen de gevangenis ingevoerd, tot ze is beland op een cel die meer weg heeft van een slaapzaal achter een traliedeur. Een vrouw of tien hangen op en om de bedden, dievegges en hoeren. De dikkerd noemen ze Moby Dick, de bejaarde oplichtster La Contessa - de gravin.

Vrouwengevangenis

Ga Niet Langs Start - dat odium beheerst Nella città l'inferno, 'De hel in de stad'. Renato Castellani (1930-1985) maakte hem in 1958, in vuil zwart en wit. De film is gesitueerd in een Romeinse vrouwengevangenis. Daar zet hij de kijker gevangen, samen met de vrouwen, oud en jong en middelbaar, mooi, lelijk, zozo. Ze dragen flodderjurken, maar die zijn minstens mooi getailleerd en altijd mooi van halslijn - zo handig waren ze wel, op de kledingafdeling bij Cinecittà.

Komt er iemand vrij, dan mag de kijker mee tot aan de dikke deur, en dan moet hij terug. Door de smalle gang met aan weerszijden de cellen, tussen de tralies door beweegt in een streepje zon een hand op de maat van een uitgegalmde smartlap: 'Voor mij is het altijd zondag...' Langs de cel van de moeders, met de wieg en een peuter. Over de grauwe stenen vloer die elk geluid verveelvoudigt, het geschreeuw, het gerammel van de vuilnisvaten, het geklepper van de houten slippers van de bewaaksters.

De gevangenis is gehuisvest in een voormalig klooster, niet buiten maar middenin Rome. Het licht komt binnen door onbereikbaar hoge ramen. De muren zijn dik, de cellen onoverzichtelijk, nu eens groot, dan weer krap, altijd donker, altijd met traliewerk afgezet en meestal met uitzicht op elkaar en dan dus dubbel getralied - een schatkist voor de filmer die verbeelding zoekt voor het labyrint van de beknelde menselijke geest.

Geen doorsnee

Want Nella città l'inferno is geen doorsnee gevangenisfilm. Alleen zijdelings klaagt hij de omstandigheden van de veroordeelde vrouwen aan. De nonnen zijn, hoewel afstandelijk, betrokken cipiers; er is geen sprake van systematisch geweld en afgezien van wat schermutselingen gaan de gevangenen, gewone vrouwen, geen monsters, zusterlijk met elkaar om. Evenmin verhaalt deze film over een spectaculaire ontsnappingspoging of van de glorieuze opstand tegen een tirannieke bewaakster of gestoorde pestkop.

Van de bekende gevangenis-suspense is hier geen sprake, het drama ligt subtieler. Het gaat schuil in het gebrek aan privacy, dat de cineast met allengs zwaardere visuele accenten aanzet. Aanvankelijk lijkt deze gevangenis meer een strenge vakantiekolonie, met uitstapjes naar de kapel, een filmvertoning op het dakterras, en een rel die meer weg heeft van een uit de hand gelopen kussengevecht, zo hilarisch verloopt hij.

Castellani ontsluiert echter stukje bij beetje de hel, die niet spectaculair is maar alledaags en daardoor des te gemener. Het zit 'm in de sleur en in de dreigende onvoorspelbaarheid van stemmingen en sfeer. In een leven zonder stilte. In een bestaan zonder uitzicht, letterlijk en vooral figuurlijk. Want al wordt de last van het gebrek aan bewegingsvrijheid in deze film niet overgeslagen, het zwaarst weegt het gebrek aan geestelijke ruimte.

Rijke lichaamstaal

Somber is Nella città l'inferno, maar niet doods. Castellani maakte een flamboyante film, met het odium 'Ga niet langs Start' als inzet voor een ode op de twee diva's van de Italiaanse cinema van zijn dagen: Anna Magnani en Giulietta Masina. Breeduit regisseerde hij ze op de toppen van hun kunnen, ruim baan verschaffend aan hun rijke lichaamstaal, hun mimiek, hun stemmen, hun persoonlijkheden.

Vaardig getypecast staan ze tegenover elkaar. Giulietta Masina is de provinciaalse Lina. Een simpel dienstmeisje, knieën altijd keurig bij elkaar, rug recht, ogen op onderdanig. Verliefd op en dus weerloos tegen de 'amoroso' die haar valselijk versierde en vervolgens medeplichtig maakte aan inbraak bij haar werkgever. Verzenuwd klampt ze zich vast aan de cynische Egele, een door de wol geverfde vrouw van de straat.

Anna Magnani dus. Hoe zij floreert in een zwarte onderjurk verdient een eigen beschouwing, dat komt nog wel eens. Hoe dan ook, ook hier doet ze dat met klasse. Magnani speelt Egele rauw, volks, leep. Elke beweging, elke houding, hoe ze rookt, leunt, zingt, de nonnen manipuleert, alles verraadt een carrière aan de Via Veneto, hengelend naar klanten. Dat Egele een gevangenis-habituée is, zie je direct, maar ook zorgt Magnani ervoor dat je onafgebroken beseft hoe strak deze hoer schrikdraad heeft gewonden om een hart van goud.

Het eerste wat we van haar zien zijn haar lange voeten. Ze ligt op (let wel: niet in) bed, ontwaken doet ze met verholen tranen. Weg ermee. Zo. Ze is klaar voor het rumoer in een cel waar zij per definitie de dienst uitmaakt.

Tijdens een nachtelijke scène sluiten ze iets wat op vriendschap lijkt, het bange konijn en de leeuwin met haar klauwen. Lina leert roken, illegaal koffie zetten en suiker stelen, Egele warmt zich aan haar onnozelheid. Lina bewondert Egele, Egele zou Lina's onschuld in ere kunnen houden, maar dat lukt niet. Ze benijdt haar die. Ze pakt hem af en gooit hem weg.

Misbruik

Ga niet langs Start.

Die kaart deelt Egele uit aan Lina en daarmee aan zichzelf. Misbruik makend van haar invloed laat ze haar beschermelinge, die bij de rechter schoon schip wil maken, haar mond houden ten behoeve van de crimineel die haar erin luisde.

Lina komt vrij en Lina keert terug. Opgepakt als prostituee, uitdagend, provocerend, zelfverzekerd. Verdwenen is het onaangeraakte damesdienstmeisje dat ze was. Ze is nu een kopie van Egele, ze zegt het zelf: 'Altijd als ik twijfelde, dacht ik, wat zou Egele gedaan hebben?' Egele raakt buiten zichzelf. Ze scheurt Lina het sexy gedrapeerde jurkje van d'r lijf en gilt: 'Het is niet mijn schuld, nee, het is niet mijn schuld!'

Maar dat is het wel. En dat weet ze. Het kwaad is niks bijzonders, het is zo gebeurd, in een lusteloze bui, zonder veel theater.

Ach ja, dat kwaad. Al te vaak wordt, alsof het een oeroude wet is, vastgesteld dat het alles overheerst. Dat iedereen een duivel in zich herbergt en dat die duivel toeslaat zodra hij een kans krijgt. Dat zou overzichtelijk zijn, ellendig en ook gemakkelijk. Maar uitgerekend deze donkere film schopt dat idee omver.

Net zo achteloos als het slechte, doen ze het goede. Zonder omhaal of zelfs opzet, gewoon omdat ze deden wat ze deden, zorgden Egele en Lina voor een wonder: ze maakten contact mogelijk tussen een jonge celgenote en de man van de overkant die zij met hulp van een spiegeltje bespiedde door het hoge wc-raam. Egele achterhaalde zijn naam voor het meisje, Lina nam de moeite hem haar naam te gaan zeggen. De jonge vrouw begint opnieuw en de kans is er dat ze lang en gelukkig zal leven.

Dat had niemand gedacht. En toch is het zo.

Volgende maand:

Boccaccio 70, een vierluik van Monicelli, Fellini, Visconti en De Sica.