Hartfalenpil redt geen levens in de praktijk

Van spironolacton, een medicijn tegen hartfalen, werd in 1999 na onderzoek aangetoond dat het bij patiënten met ernstig hartfalen over een periode van twee jaar de sterfte met 30% verlaagt. Maar nu, in de gewone medische praktijk, kost het middel net zoveel levens als het redt. Dat komt, ontdekten Canadese onderzoekers, doordat voorschrijvende artsen onvoldoende gespitst zijn op een gevaarlijke bijwerking: in combinatie met een ACE-remmer geeft spironolacton soms een te hoog kaliumgehalte in het bloed (hyperkaliëmie). (The New England Journal of Medicine, 5 aug)

De onderzoekers gingen na hoeveel mensen tussen 1994 en 2001 in de Canadese staat Ontario voor hyperkaliëmie werden opgenomen en er aan stierven. Na publicatie van het spironolactononderzoek in 1999 steeg het aantal ziekenhuisopnamen wegens een te hoog kaliumgehalte van 2,4 per 1.000 hartfalenpatiënten in 1991 naar 11,0 per 1.000 in 2001. En het aantal doden door hyperkaliëmie steeg in dezelfde periode van 0,3 naar 2,0 per 1.000 patiënten. In beide gevallen was er een abrupte stijging in 1999. De verschillen tussen onderzoek en praktijk konden ontstaan, denken de Canadese artsen, doordat in de praktijk mensen met een hoog risico op hyperkaliëmie (suikerpatiënten, patiënten met nierfunctiestoornissen) wel spironolacton krijgen, terwijl die patiënten niet aan de in 1999 gepubliceerde spironolactonstudie mee mochten doen. Zij concluderen dat betere controle en voorzichtiger voorschijven de levensbedreigende bijwerking kan verminderen.

Hyperkalemie komt soms voor bij patiënten die ook een ACE-remmer slikken. De bijwerking staat als eerste (en dus belangrijkste) genoemd in de Nederlandse bijsluitertekst van het medicijn. Ook wordt aangeraden `regelmatig' het elektrolytengehalte (waaronder kalium en lithium) in het bloed van de patiënten te controleren.