Financiële sector motor van Britse economie

Als de Britse rente stijgt, nemen de zorgen over een hogere wisselkoers van het pond en teruglopende investeringen toe. Daar kunnen redenen voor zijn. Maar de uitwerking van deze negatieve tendensen zal worden verzacht door de resultaten van de sterkste exportsector van het land, die van de financiële dienstverlening. Die sector is het minst gevoelig voor de binnenlandse rentevoet. Deze rots in de branding moet een troost zijn voor de Bank of England.

Het financiële district in Londen is moeilijk te negeren. Het is zichtbaar in de moderne kantoren en de hippe winkels, het is hoorbaar in de vele buitenlandse tongvallen en het is voelbaar in de hoge prijzen van centraal gelegen woningen.

Deze indrukken worden bevestigd door de statistieken. De netto-exportinkomsten van de sector voor financiële en professionele dienstverlening bedroegen in 2003 20 miljard pond, aldus berekeningen van onderzoeksfirma IFSL. Dat is slechts 2 procent van het bruto binnenlands product (bbp) van het Verenigd Koninkrijk, maar het economische effect is veel groter.

De internationale financiële sector voorziet in werk voor een hele reeks andere bedrijven, zoals hotels, producenten van kantoormeubilair en nieuws- en adviesdiensten. De in het algemeen goed betaalde werknemers van de sector besteden hun geld verder aan goederen en diensten. Deze zogenoemde multipliers zorgen ervoor dat de financiële exportsector zo'n 8 procent van het Britse bbp voor zijn rekening neemt.

De kracht van de sector is een prachtig voorbeeld van een oud economisch principe: dat van het relatieve voordeel. Londen biedt de wereldtaal, een centrale ligging, een kosmopolitische omgeving en een steeds groter wordend reservoir aan kennis en ervaring. Hierdoor is Engeland de wereldleider geworden op dit specifieke terrein, met een netto-export die bijna driemaal zo hoog is als die van de nummer twee, Zwitserland. De Verenigde Staten kennen of het gebied van financiële diensten een klein tekort door de grote import van verzekeringen.

De groei maakt het relatieve voordeel nog aansprekender. De netto-export van de sector is sinds 1998 met 70 procent gestegen. Zelfs in 2003 was er sprake van een geringe toename, ondanks het feit dat de financiële markten grotendeels onaantrekkelijk waren. Het groeipercentage was hoog genoeg om merkbaar verschil te maken voor de Britse economie. Met inachtneming van het multipliereffect heeft de export van financiële diensten de afgelopen vijf jaar ongeveer 20 procent bijgedragen aan de economische groei van het land. En de vooruitzichten voor verdere groei zijn nog steeds goed.

De kracht van de sector is een troost voor de Bank of England. De financiële dienstverleners werken voornamelijk met dollars en euro's, niet met ponden. Veel buitenlandse werknemers worden zelfs gecompenseerd voor wisselkoersschommelingen. De binnenlandse rentevoet is niet irrelevant, want werknemers uit deze sector kopen natuurlijk ook huizen. Maar de bank kan de rente verhogen zonder zich veel zorgen te hoeven maken over de gezondste bedrijfstak van het land.

Onder redactie van Hugo Dixon.

Voor meer commentaar: zie www.breakingviews.com.

Vertaling Menno Grootveld.