Eindelijk zit Londen buiten

Aan het terras van The Prospect of Whitby hangt nog altijd een strop. Want de dood, weet Hans Steketee, was er vaste gast.

,,Een stad zonder terrasjes is een dode stad'', liet Daan van der Vat, Londens correspondent van het vroegere dagblad De Tijd, een van zijn sikkeneurige Nederlandse gasten in de jaren vijftig klagen. Terrassen zijn immers ,,de ogen waarmee een stad naar het leven staart, de oren waarmee een stad het leven hoort zingen, de neuzen waarmee zij de goede geuren van het aardse bestaan opsnuift''. De afwezigheid van terrassen in Londen bewijst dat het geen levend organisme maar ,,een stenen gezwel, een fossiel, een knekelhuis'' is.

Daar zit iets in. Maar Van der Vat wist ook heel goed dat het Londen noch aan leven, noch aan terrassen ontbreekt. Want de `zintuigen van de stad' bevinden zich merendeels binnenshuis. Zoals de tribune waar je de hanengevechten in het Lagerhuis kunt volgen, of de theaterloges en foyers, het bierhuis, bibliotheken, boekhandels, kerken, het Brits museum dat een zeeroversmagazijn is. En niet te vergeten stations, waar het toen nog rook naar ,,vlamkolen, carbol en natte politieagenten''.

Vijftig jaar later struikel je in Londen over de terrassen. Zelfs op Trafalgar Square, een voorheen vreeswekkend plein waar het altijd tochtte en vliegende ratten op je jas poepten, kun je nu op een stoel zitten en een glas drinken. ,,Eindelijk hebben we een plein van wereldklasse en we gaan het gebruiken zoals de Italianen'', zei burgemeester Ken Livingstone na de recente opknapbeurt. De koffieketens, die de nieuwe nationale drank serveren, hebben allemaal tafeltjes op de stoep staan. Een beetje pub heeft een beergarden, en in de krant kun je elke week lezen waar dineren al fresco het beste is.

En toch wil Londen maar geen Siena of Montpellier of Granada worden. De Latijnse buitenkant is gezichtsbedrog. Londen heeft het spektakel van Rome noch de kalmte van Venetië, en evenmin Berlijnse grandeur of Parijse elegantie, schreef Peter Ackroyd, biograaf van de hoofdstad. Londen is ,,lelijk, taai en hard''. Maar de stad is ook mysterieus en aards, een verslavende pantomime die zichzelf steeds vernieuwt. Ackroyd: ,,Londen is eerder een state of mind dan een geografisch gebied.''

Er is één plek waar het fysieke Londen naadloos overvloeit in die andere stad van de mythes, de taal en geschiedenis. Dat is aan de Theems, de beste buitenruimte die er is. En de plek waar je eerste rang zit, is het terras van The Prospect of Whitby, de oudste riviertaveerne. Nu ja, terras? Een paar planken boven het water, een houten ballustrade met een dak erboven. Staanplaatsen inbegrepen passen er misschien tien man.

Toeristen komen meestal niet oostelijker dan Tower Bridge. De herberg ligt nog een kilometer verder stroomafwaarts, in Wapping. Toen hij gebouwd werd, in 1520, regeerde Hendrik de Achtste. De Theems was hier toen een stuk breder en ondieper dan nu, met moerassen aan twee kanten. Schepen ankerden in het midden en lieten hun vracht met lichters verder landinwaarts brengen door de rivermen, de kaste die op, aan en van de rivier leefde.

Bonafide handel ging gelijk op met smokkel en roverij. Devil's Tavern heette de herberg in die tijd. Aan het terras hangt een strop en dat is geen onschuldig grapje want de dood was er vaste gast. Hier hield George Jeffreys hof, de meedogenloze Hanging Judge die op deze plek zo'n driehonderd echte of vermeende criminelen en politieke tegenstanders van de katholieke koning Jacobus II liet ophangen. Hier ook bungelden de met pek ingesmeerde lijken van Captain Kidd en zijn maten aan de galg, piraten-in-overheidsdienst die te veel hun eigen portemonnee spekten.

Pas in 1777 kreeg de herberg zijn huidige naam: Prospect of Whitby was de naam van een driemaster die met kolen pendelde tussen Whitby in Yorkshire en Londen, en die hier zijn vaste ligplaats had. Wapping was toen een labyrint van pakhuizen en klinkerstraatjes geworden, waar het rook naar teer en touw en kaneel en peper, het hart van de Docklands. En met scheepsvolk, sjouwers, prostituées en grote en kleine boeven nog twee eeuwen lang het Dickens-decor bij uitstek. De Victoriaanse veelschrijver was vaste gast in de Prospect.

De geest van Samuel Pepys (1633-1703), dagboekenschrijver en hoogste ambtenaar van de Royal Navy, zit ook op het balkon. Hij beweegt zijn bril voor zijn zieke ogen om de processie op het water beter te kunnen zien: een rondvaartboot met een blikkerige stem uit de luidspreker die in vlagen komt aanwaaien, twee politieboten op waterski-snelheid, een veerboot op weg naar Greenwich, stroomafwaarts, waar de nulmeridiaan de rivier doorsnijdt. En uit de andere richting, tegen de stroom in, een zeiljacht met een rood-wit-blauwe vlag. `Sophia, Oegstgeest' staat op de achtersteven.

Waar de rivier een bocht rond het Isle of Dogs slingert, staan de blauwgroene en zilveren hoofdkwartieren van de industriesector die het East-End heeft overgenomen. De werknemers, van senior bankiers tot de eenvoudigste klerk, joggen tussen de middag in lycra over de oever. De pakhuizen zijn verbouwd tot appartementen.

Aan de overkant ligt niet langer de boomgaard waar Pepys op zijn wandelingen kersen kocht. Wel de betonnen Cherry Garden Pier, tegen de achtergrond van gastanks, een ijzeren ophaalbrug en een casino. De stoomboten zijn ook verdwenen. Vervangen door containerschepen en tankers die nu in Tilbury en Gravesend tegen de wal liggen. En waar zijn Van der Vats ,,aamborstige sleepbootjes'' gebleven? Met hun ,,kapiteins die op ogenblikken van verontwaardiging hees beginnen te schelden met de stoomfluit''? Wel, die zijn ook weg. Maar als je tussen je wimpers kijkt, vanaf het terras, zie je ze nog steeds.

The Prospect of Whitby, 57 Wapping Wall, Londen E1, 0044(0)20 7481 1095