Brand in de woestijn

De Veiligheidsraad dreigt met sancties tegen Soedan wegens wreedheden tegen de bevolking van Darfur. Niets nieuws onder de zon. Soedan, een islamitische politiestaat, gebruikt al jaren paramilitaire eenheden om in buitengebieden de Afrikaanse bevolking te onderdrukken. Maar hoe groeide het rassenconflict dit keer uit tot de grootste oorlog van Afrika?

Onvermoeibaar trekken in het noorden van Darfur Arabische nomaden en rijen kamelen over de gele zandvlaktes, in temperaturen van tegen de vijftig graden. In het zuiden, op de savanne met de bergen van het Jebel Mara plateau, leven boeren van Afrikaanse afkomst in het groen. De vijf tot zeven miljoen inwoners van Darfur zijn Afrikaan of Arabier, beiden met een pikzwarte huidskleur die afsteekt tegen hun lange witte gewaden. De verschillen tussen hen werden vroeger niet benadrukt – beide groepen voelden zich Darfuri's en allen hangen de islam aan. Maar nu waait het woestijnzand uit de Sahara over de groene akkers en moorden Arabieren Afrikanen uit. Er is een raciaal conflict ontstaan, tienduizenden Afrikanen sterven, honderdduizenden raakten ontheemd en de roep om een internationale interventie wordt luider.

Fadel Seasy Ateim zit met zonnebril op in zijn donkere huis in Zalingei, in West-Darfur. Hij is een traditionele leider van de Fur, de Afrikaanse stam die in de zeventiende eeuw het Fur Sultanaat stichtte, dat pas in 1916 door de Britten bij Soedan werd gevoegd. De stichter van deze staat was Suleiman Solong, zoon van een Arabische vader en een Fur-moeder. ,,De Furs verleenden alle stammen in Darfur land en rechten, nooit eerder bestond er een conflict als dit'', zegt de Fur-leider. Hij vertelt hoe aan het einde van ieder droog seizoen de Arabische nomaden onder de Afrikaanse landbouwers leefden, hoe de stamoudsten overleg voerden, welke presentjes ze uitwisselden om de onderlinge banden te versterken. In die tijd werkten de traditionele omgangsvormen nog. ,,Tegenwoordig moeten we vechten. En als een Afrikaan zich verdedigt noemt de regering hem een rebel.''

Om in Zalingei een Arabische leider te spreken, moet je in een andere woonwijk zijn: de twee groepen leven tegenwoordig gescheiden. De Arabische leider blijkt een veehandelaar te zijn. Een verzoek om een onderhoud wuift hij weg. ,,Te druk.'' Druk met de handel in geroofde koeien van Afrikanen. Die zien in Zalingei hun vee op de markt terug. ,,Gestolen door onze vijanden, de Arabieren van de Janjaweed'', zeggen ze.

De strijd in Darfur is een gevolg van de strategie van de Soedanese regering om een rebellenbeweging in het gebied te bestrijden. In een groot gebied hebben Arabische milities systematisch alle Afrikaanse dorpen platgebrand, jonge mannen gedood en vrouwen verkracht ten overstaan van hun families. Vluchtelingen in het buurland Tsjaad vertellen over de Arabische Janjaweed-militie en regeringssoldaten die hen wegjoegen uit hun dorpen in Darfur met de opdracht ,,naar Afrika te gaan en nooit meer terug te keren''. Ver van Darfur, in de Soedanese hoofdstad Khartoum, kaatst een ondergrondse woordvoerder van de rebellenbeweging het Soedanese bevrijdingsleger (SLA) terug: ,,De Arabieren zijn in Soedan de indringers, wij Afrikanen waren hier eerder en hebben het recht ons land te besturen.''

Islamitisch Legioen

Tot de grote droogte van 1984-1985 was er land genoeg in Darfur. Maar de jaren van droogte en voortschrijdende woestijnvorming maakten het bestaan steeds kariger. Het machtscentrum in het verre Khartoum negeerde de moeilijkheden, zoals het ook de problemen in andere buitengewesten negeerde. Landbouwer en nomade raakten slaags, de nomaden waren steeds minder welkom op het boerenland.

De lokale overheid sympathiseerde soms met de Arabieren, soms met de Afrikanen, afhankelijk van wie de meerderheid in de bestuursraden had. Er werden vredesbesprekingen georganiseerd waarvan de resoluties onuitgevoerd bleven. Alle Darfuri's begonnen zich te bewapenen, want de zwakke centrale regering bood geen bescherming. Al vóór het huidige conflict verzoop Darfur in de wapens.

Ook de ligging, dichtbij het instabiele Tsjaad en het Libië van Gaddafi, speelde daarbij een rol. In de jaren tachtig wilde de Libische leider Gaddafi een Arabische zone stichten in de Sahara en Sahel. In de hele regio rekruteerde hij soldaten voor zijn Islamitische Legioen. Tussen 1987 en 1989 stuurde hij wapens naar Darfur met als eindbestemming Tsjaad. Maar veel van het wapentuig en de ideologie van Arabische superioriteit bleven achter in Darfur. Er vormde zich in het gebied een geheime groep met de naam `Arabische agenda', die zich ten doel stelde heel Soedan te arabiseren. In de huidige regering zitten enkele sympathisanten van deze beweging.

Darfur werd ook onderdeel van een machtsconflict in Soedan zelf. In 1989 pleegden de islamitisch fundamentalisten van het Islamitische Nationaal Front een staatsgreep. De militair Omar el Beshir werd president, maar de werkelijke machthebber was de islamitische ideoloog Hassan el Turabi. Hij maakte Khartoum tot het centrum van revolutionaire islamitische bewegingen uit de hele wereld. Ook Osama bin Laden opende er een kantoor. De politieke islam in Soedan komt oorspronkelijk uit Egypte en had vooral aanhang onder bewoners van de Nijloevers. Omdat Turabi's ambities groter waren, begon hij ook andere gebieden bij zijn Islamitische Front te betrekken. Hij omarmde moslims uit Darfur en West-Afrika, islamieten die niet zijn beïnvloed door geloofsgenoten in Egypte maar door het in 1807 gestichte kalifaat van Sokoto (nu Nigeria).

De onstuitbare Turabi raakte verwikkeld in een machtsstrijd met de straffe militair Beshir. Beshir won en Turabi moest in 1999 opstappen. Turabi en zijn aanhangers gingen in de oppositie. Darfuri's onder hen publiceerden in 2000 het zogenaamde Zware Boek, waarin gestaafd met cijfers de dominantie van noordelijke Arabieren en gearabiseerde Soedanezen in alle takken van het regeringsapparaat uit de doeken werd gedaan. Het dikke document werd uitgedeeld bij moskeeën. Opnieuw werd een raciale tegenstelling scherp aangezet. De voedingsbodem voor de oorlog in Darfur was gelegd.

Zuiveringen

De tegenstelling tussen Arabieren en Afrikanen in Soedan is vaak kunstmatig. Slechts een paar procent van alle Soedanezen is echt Arabier. De meerderheid is gearabiseerd en vertoont alle kleurschakeringen. En een deel is zuiver Afrikaans. De meeste Soedanezen beschouwen de regering als een kliek van gearabiseerde Noord-Soedanezen, maar of dat klopt is onmogelijk te bewijzen.

Soedan is een dictatuur maar geen succesvolle politiestaat. Het land is daar eenvoudig te groot voor. Toen de onvrede in Darfur begin vorig jaar culmineerde in gewapend verzet, reageerde de regering verrast. In korte tijd behaalden de Afrikaanse rebellen van het Soedanese Volksleger (SLA) en de Beweging voor Gerechtigheid en Gelijkheid (Jem) opvallende militaire successen. In april vorig jaar vielen ze de luchthaven van El Fasher aan, vernietigden zeven gevechtstoestellen en namen een hoge generaal gevangen. President Beshir, militair in hart en nieren, voelde zich vernederd en sloeg keihard terug. Zijn leger had daarbij hulp nodig, want meer dan de helft van de soldaten in de lagere rangen komt uit Darfur. Daarom viel de regering terug op een militie, de gebruikelijke strategie. ,,Het is niet onze politiek om de ene bevolkingsgroep tegen de andere op te zetten'', zegt Eltigani Salih Fediel, minister van staat voor Buitenlandse Zaken in Khartoum, als hij voor de zoveelste keer tegenover journalisten ontkent dat de regering de Janjaweed-militie steunt. Maar hij voegt daaraan toe: ,,Ja, we bewapenen de bevolking omdat het staatsleger niet in het hele land controle kan uitoefenen.''

De praktijk van het inzetten van milities bestaat al sinds de onafhankelijkheid in 1956. Al vele malen werd de Soedanese regering beschuldigd van etnische zuiveringen of genocide als gevolg hiervan. Door de overheid gesanctioneerde wraakacties van stammilities, zoals die in de Nubabergen eind jaren tachtig en in Western Upper Nile vier jaar geleden, zijn de bloedigste maar niet de enige voorbeelden.

De huidige machthebbers onderscheiden zich door hun drang tot islamisering en arabisering – daarom steunen en stichten zij steeds méér paramilitaire eenheden. Zo bouwde zij ook de Janjaweed-militie, een kleine defensie-eenheid, uit tot een omvangrijke strijdgroep.

Ooggetuigen in Darfur vertellen over bezoeken van hoogwaardigheidsbekleders uit Khartoum die manschappen kwamen ronselen voor de Janjaweed. ,,De hoogste autoriteiten waren betrokken bij het besluit om oorlog te voeren door middel van milities'', vertelt een voormalig medewerker van Beshir. De organisatie en bewapening waren volgens ingewijden in handen van de veiligheidsdiensten onder leiding van vice-president Ali Osman Taha. Niet alle Arabische groepen in Darfur steunen de militie. Er bestaat nog een orde van stamhoofden die vergadert over waar de Arabische belangen liggen. En die liggen niet bij chaos en verstoorde relaties met Afrikanen.

Mujahedeen

Volgens een intellectueel en kenner van Darfur in Khartoum bestaat de Janjaweed uit verschillende groepen met verschillende agenda's. De regering wil met de militie de Afrikaanse rebellen in Darfur verslaan, veehouders hunkeren naar de grond van landbouwers, en een kliek van racistische Arabieren maakt van de gelegenheid gebruik om hun extremistische plannen te verwezenlijken. ,,Er is niets spontaans aan wat er nu gebeurt in Darfur'', meent hij. ,,Had de regering aan de ontwikkeling van Darfur gewerkt, dan waren ecologische problemen als woestijnvorming oplosbaar geweest. Maar de regering schitterde door afwezigheid en hielp wel met het zaaien van haat tussen de twee groepen toen er conflicten uitbraken.''

Documenten die de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch onlangs heeft gepubliceerd, bevestigen het aandeel van de regering. In een overheidsdocument van 13 februari dit jaar krijgen lokale bestuurders de opdracht ,,om de activiteit van de mujahedeen en de vrijwilligers onder leiding van Musa Hilal te bevorderen in Noord-Darfur''. De mujahedeen zijn leden van de paramilitaire Volksdefensie strijdkrachten (PDF) van de regering en Musa Hilal is een leider van de Janjaweed. Het document vervolgt: ,,We benadrukken dat het belangrijk is om niet tegen hen in te grijpen en om kleine misdaden van mujahedeen tegen burgers door de vingers te zien.''

Volgens een door Human Rights Watch geciteerde ooggetuige vlogen eerder dit jaar drie keer per week regeringshelikopters naar het militaire kamp van Hilal om er wapens, munitie, brieven en voedsel af te leveren. Toch bleef de regering betrokkenheid bij de Janjaweed ontkennen. Pas na bezoeken vorige maand van secretaris-generaal Kofi Annan van de Verenigde Naties en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell zegde president Beshir toe binnen drie maanden de militie te ontwapenen.

Maar Beshir deed een belofte die hij niet kan nakomen. ,,De autoriteiten zullen nooit keihard optreden tegen de Janjaweed-strijders'', voorspelt een goed geïnformeerde Soedanees in de westelijke stad Nyala, ,,misschien hebben ze hen later nog eens nodig.'' Geen bewoner van Darfur piekert erover om zijn wapen in te leveren nu de onveiligheid het grootst is. Geforceerde ontwapening kan leiden tot gevechten binnen de milities, of tussen de Janjaweed en andere paramilitaire eenheden.

De VN hebben ook van Beshir geëist dat hij de leiders van de bloedbaden in Darfur vervolgt. Maar de Janjaweed kan binnen de huidige machtsverhoudingen niet gemakkelijk worden geneutraliseerd. De veiligheidsagenten rond vice-president Taha, legerleiders en lokale bestuurders waren volgens vele bronnen betrokken bij de Janjaweed. Taha is de machtigste man van het regime en ook de architect van het vredesverdrag met het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA) van Zuid-Soedan. Met zijn vertrek zou dit zo moeizaam bereikte akkoord gevaar lopen.

Onze jongens

De hardnekkigste oorlog in Soedan nam al in 1955 een aanvang met een opstand van de Afrikaanse en niet-islamitische Zuid-Soedanezen. Ook voor dit conflict ronselde de regering talrijke Arabische maar ook Afrikaanse strijders, milities met weer heel andere stamleden dan in de Janjaweed in Darfur. Deze verdeel-en-heers politiek versterkte de geschillen tussen de Zuid-Soedanezen onderling en met hun Arabische buren in de grensgebieden.

Sinds begin 2002 zitten de regering en leden van het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA) van John Garang in Kenia aan tafel. Onder internationale druk verleende de regering de Zuid-Soedanezen het recht op een referendum over onafhankelijkheid over zes jaar.

In mei bereikten beide partijen eindelijk overeenstemming over de verdeling van de macht en de rijkdommen – in het bijzonder olie – tijdens de interim-periode. Uitvoering van dit akkoord zou een historische door-

Vervolg op pagina 6

Vervolg van pagina 5

braak betekenen. In Noord-Soedan en binnen het regerende Nationale Congres van president Beshir bestaan echter twijfels over de concessies aan het SPLA. Daar komt nu de kritiek bij op de toegepaste tactiek van de verschroeide aarde in Darfur.

De lange strijd in het zuiden heeft in Khartoum nooit zoveel teweeggebracht als het conflict in Darfur nu, omdat zuiderlingen in de nationale politiek een verwaarloosbare rol spelen. Bewoners uit Darfur daarentegen oefenen meer politieke invloed uit en hebben vooraanstaande posities in het zakenleven van Khartoum. De opstand van de twee Afrikaanse rebellengroepen in Darfur tegen een oneerlijke verdeling van de nationale cake spreekt veel hoofdstedelijke inwoners aan, want menige regio en bevolkingsgroep in Soedan voelt zich achtergesteld. Aanhangers van de rebellen in Darfur zamelen in Khartoum geld en telefoonkaarten in voor `our boys'. Dergelijke nationale steun hebben de guerrillastrijders van Zuid-Soedan nooit gekregen.

Militaire interventie

De naderende vrede in het zuiden droeg bij aan het uitbreken van de oorlog in het westen. Jonge, goed opgeleide Darfuri's voelden zich aangemoedigd door de concessies aan het SPLA. Om je recht te krijgen, moet je vechten, concludeerden ze. Oppositiepartijen in het noorden klaagden al langer over het exclusieve karakter van de vredesbesprekingen over Zuid-Soedan. Zij vinden dat álle nationale kwesties en brandhaarden aan bod moeten komen. Eenzijdige besprekingen zonder afspraken over democratie en gelijkheid in het gehele land lossen Soedans problemen niet op. Maar de regering weigert de concessies die zij heeft gedaan aan de zuiderlingen ook aan andere regio's toe te kennen.

Om het twee jaar slepende vredesproces voor het zuiden niet te schaden, wilden Amerika en Engeland maandenlang niet te hard van de toren blazen over Darfur. Ze gaven de regering de indruk dat ze de vrije hand had. Het grootschalige moorden en afbranden van Afrikaanse dorpen in Darfur vond plaats vanaf eind vorig jaar. De grote morele verontwaardiging van de internationale gemeenschap loopt dus achter bij de gebeurtenissen. Een diplomaat van een grote westerse ambassade in Khartoum verklaarde nog geen drie maanden geleden dat ,,de Soedanese regering niet met opzet de crisis in Darfur veroorzaakte''.

Maar nu voeren Amerika, de VN, Engeland en andere Europese landen en sinds kort ook de Afrikaanse Unie de druk op Khartoum op om in Darfur orde op zaken te stellen. Zelfs de dreiging met militaire interventie behoort nu tot het diplomatieke vocabulaire. Maar hoe grijp je in in een onherbergzaam gebied zo groot als Frankrijk? Welke groepen moet je steunen, welke bestrijden? Darfuri's zijn allemaal pikzwart, verschillen tussen Arabieren en Afrikanen zijn vaag. Een mislukte buitenlandse interventie kan de verhoudingen tussen Arabieren en Afrikanen verder verstoren, met gevolgen voor de hele Sahel en Sahara.

Soedan kreeg al eerder economische en politieke sancties opgelegd, onder meer wegens betrokkenheid bij een mislukte aanslag op de Egyptische president Mubarak in Addis Abeba in 1995 door daders uit Khartoum. In 1998 vuurden de Amerikanen een raket af op een verdachte fabriek in de hoofdstad, direct na de terroristische aanslagen op de Amerikaanse ambassades in Nairobi en Dar es Salaam. De Amerikaanse president Clinton organiseerde een regionaal militair pact tegen Khartoum met miljoenen dollars aan wapenhulp. Al die druk kreeg de Soedanese machthebbers niet op de knieën. Ze zochten bondgenoten, in China, India en Maleisië bijvoorbeeld, landen die een groot aandeel hebben in de in 2000 begonnen oliewinning van Soedan. Internationale sancties zouden vooral sancties van het Westen zijn.

Pijnlijke zoektocht

Francis Deng, speciale gezant van VN-secretaris-generaal Kofi Annan, ziet de oplossing voor het chronische geweld van Soedan in een wederopbouw van de politieke structuren van het gehele land. Stabiliteit blijft een illusie zonder grondige politieke hervormingen. Na een bezoek aan Darfur noemde hij zijn geboorteland ,,een natie die bezig is met een pijnlijke zoektocht naar zichzelf en streeft naar uitbanning van discriminatie wegens ras, stam, religie of cultuur. De tijd is gekomen voor een oprechte nationale dialoog, voor een allesomvattende vrede, voor veiligheid en stabiliteit.''

Soedan zoals het nu bestaat moet verdwijnen. Het land valt niet te besturen met een staatsapparaat dat misdadige milities gebruikt om de controle te behouden. ,,Als woede onze politiek bepaalt, valt dit land binnenkort uiteen'', zegt Sadiq el Mahdi, een voormalige burgerpremier van Soedan. ,,Er is veel tolerantie nodig om alle bevolkingsgroepen bijeen te houden.''