Beltegoed, kindergebrul, liefdesverdriet

De Somalische Sahra is negen jaar in Nederland, maar woont nog steeds in een asielzoekerscentrum. Haar Nederlandse vriendin Anna Buijsman gaat daar een weekje logeren. `Twaalf paar schoenen staan op een rij. Waarom zou je elke tic uitbannen als je vluchteling bent?'

`Wat doe je in de vakantie?''

Ik heb het mijn Somalische vriendin in het asielzoekerscentrum zonder na te denken gevraagd. Ik zit op haar enige stoel, zij op de rand van haar bed. Mickey Mouse lacht me toe vanaf een expres scheef geplakte poster boven haar hoofd. Ze kijkt moedeloos. De gedachte aan de komende vakantieperiode, waarin haar studie en de school van haar dochter stilliggen, maakt haar moedeloos. Ik volg Sahra (26, waarvan negen jaar in Nederland) al acht jaar, sinds ik als docent Nederlands haar zus lesgaf. Haar moeder woont in een huurhuis met Sahra's drie zussen en twee broers. Met Sahra en haar dochter – de vader is een Ethiopische vluchteling die Nederland inmiddels heeft verlaten – heb ik vooral contact sinds ze bij me in de buurt woont.

,,Nog tien dagen hier. Daarna ga ik naar een ander centrum, dichter bij de universiteit.''

,,Ik kom een weekje logeren'', bluf ik.

,,Tuurlijk.'' Ze kijkt me uitdagend aan. ,,Dan kom je vanaf zondagavond.''

,,Als het mag van de bewaking.''

,,Beveiliging. Ze heten beveiliging. Die vinden het geen probleem.''

,,Okee. Zondagavond. Afgesproken.'' Ik zal er blijven tot donderdagavond.

Maar de beambte in blauw uniform doet wel moeilijk als ik me op zondagavond om acht uur meld in de barak met het bord `receptie' van het COA (Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers). Ik heb niet meer bij me dan een handtas met daarin een tandenborstel en een gebonden Pluk van de Pettenflat voor Sahra's vierjarige dochter.

,,U komt logeren?'' vraagt hij. Ik wilde eigenlijk in het midden laten wat ik kom doen en zeg dat ik op bezoek kom.

Op dat moment voegt Sahra zich bij ons: ,,Je moet een slaapcontract tekenen, anders mag je hier na tien uur niet zijn.'' Het slaapcontract heet eigenlijk logeercontract. Vóór 22.00 uur moet het aangevraagd zijn en gast en medewerkers moeten het ondertekenen. De man in het uniform legt een formulier voor me neer. Ik heb het bij hem verpest.

,,U zei dat u op bezoek kwam'', zegt hij, terwijl hij het nummer van mijn rijbewijs invult en mijn handtekening wil.

Heb ik gelogen? Zoals veel vluchtelingen van de IND te horen krijgen dat ze hebben gelogen over hun verleden?

Dochter Leila (4) is er nu ook. Ze geeft me op zijn Hollands drie zoenen en vraagt stralend: ,,Hoeveel nachten blijf je bij me slapen?''

,,Veel'', zeg ik.

Er is reden voor feest. Sahra heeft alle punten binnen voor het eerste jaar Sociale Wetenschappen. En ze weet sinds kort dat de minister voor Vreemdelingenzaken Verdonk haar en andere Somaliërs tot juni 2005 niet zal uitzetten. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens had al in januari uitspraak gedaan in de zaak van vier Somaliërs die met discutabele papieren, geregeld door de Nederlandse overheid, via Nairobi werden teruggestuurd. Het Hof verzocht van dergelijke uitzettingen af te zien. Minister Verdonk stoorde zich daar toen niet aan. De Raad van State deed op 28 mei een uitspraak: de argumenten van het Hof zouden moeten worden geaccepteerd. Daarop wijzigde de minister haar uitzetbeleid. ,,Een heel jaar om er het beste van te maken'', is de reactie van Sahra.

De wind wervelt om de vier donkerrode barakken. Er crossen tientallen kinderen op soms verbazend mooie fietsjes. Mannen en vrouwen vanuit de hele wereld zijn op weg naar hun appartement of dat van vrienden. De sfeer doet denken aan die van een camping. Leila trekt ons mee naar hun kamer, ongeveer twee bij vier meter groot. Ik moet haar act zien voor het circus op donderdag.

De vluchtelingen noemen hun verblijfplaats een appartement. Het heeft vier kamers voor in totaal acht personen die geen familieband met elkaar hebben. Tegenover Sahra en Leila woont oma, een Congolese van middelbare leeftijd die al vier jaar probeert te achterhalen waar haar vier kinderen zijn gebleven en wat er met haar man, die gouverneur was, is gebeurd sinds zijn arrestatie.

Aan het einde van het gangetje is de gezamenlijke keuken, waarop nog twee kamers uitkomen, van een Angolese van in de dertig met haar drie kinderen. Haar zoontje van drie laat zich van de vroege morgen tot de late avond horen.

Leila maakt een koprol op het bed en komt scheef terecht. Ook de drie pogingen erna mislukken. Er moet nog hard geoefend worden voor het optreden.

Ik lees voor uit Pluk; Leila begint te gapen. Sahra doet het licht uit, dekt haar toe met een wollen deken, gaat tegen haar aan zitten op het bed en aait haar in slaap.

Er draait een wasmachine. In het blok aan de overkant staat een man luid te telefoneren op de galerij. De buurvrouw komt iets vragen. Leila gaat rechtop zitten. Sahra schikt haar weer tegen de wand. Het wordt rustig. Mijn mobiele telefoon gaat. Leila schrikt wakker. Ik loop naar buiten om daar het gesprek te voeren.

Als ik terug kom, slaapt Leila weer. Het licht is aan en Sahra vraagt of ik mee ga naar het huis van haar vriend, twee gebouwen verder. Hij heeft net haar telefoon eenmaal laten rinkelen. ,,Daarvoor bewaren we hier allemaal tien cent beltegoed. Dan kun je elkaar altijd nog `piepen'.''

Buiten is het nog licht. Binnen, bij Mohammed (22, drie jaar in Nederland) uit Sierra Leone, is het warm. Er liggen vier mobieltjes op tafel, Nokia's 3310, een oud model. Huisgenoot Josef uit Liberia ziet er bedrukt uit. Hij spreekt met Mohammed in het West-Afrikaanse dialect mandigo, traag en klagelijk melodisch. Af en toe valt de naam Jossie. Het is de vrijwilligster van Vluchtelingenwerk die Josef probeert te helpen een serie misverstanden tussen hem en het COA op te lossen. Maar ze slaagt daar niet erg in. De eigenaars van de andere twee telefoontjes zijn niet thuis.

Josef (19, negen maanden in Nederland) speelt met zijn telefoontje. Als de reclame op de tv begint, zingt hij een liedje met de tekst: uw beltegoed is bijna op. Het zijn de enige Nederlandse woorden die uit zijn mond komen die avond.

Dat je weinig beltegoed hebt als je van 39 euro per week moet leven, is niet verbazend. Het is al wonderlijk genoeg dat iedereen een mooi klein telefoontje heeft. ,,Wij sparen'', zegt Mohammed. ,,Je kan niet zonder telefoon. Het is je adres. Wij wonen nu acht maanden met vier personen. Wij zijn vrienden geworden.'' Ze hebben geluk. Omdat het centrum niet vol is, hebben ze elk een eigen kamer. Maar morgen kunnen ze alle vier een onbekende kamergenoot krijgen.

,,Bovenop de 39 euro verdienen we 10 euro met werk voor de COA'', legt Mohammed uit. ,,Ik maai het gras. Josef ook, mijn vriend van Ivoorkust heeft de sleutel van de kantine en die uit Guinee prikt papier op het terrein. We leggen elke week 25 euro opzij. Samen hebben we dan honderd euro om iets aan te schaffen. De ene week koopt iemand een broek, de andere week een ander misschien een tweedehands fiets. Maar telefoontjes en beltegoed gaan altijd voor. Nu kost een Nokia veertig euro. Ze worden steeds goedkoper.''

Om elf uur lopen we terug. De hemel is nog steeds licht. Het terrein is verlaten. Gezellig, vinden we.

Terug in het appartement trekt Sahra een elegant, doorzichtig gewaad aan van ragdunne rode katoen en wikkelt een lap om haar kroeshaar in een andere kleur rood. ,,Uit Somalië. Er zijn vluchtelingen die Afrikaanse kleren en gouden sieraden vanuit hun huis in Nederland verkopen. Meestal op afbetaling. Elke week gaan ze hun klanten af om geld op te halen. Soms hebben ze het niet en komen ze in de problemen. Mijn moeder moet dan wel eens bemiddelen als stamoudste.'' De uitspraak van de stamoudste is bindend. Daar moeten de partijen zich aan houden. De straf die ruziemakers op het rechte pad houdt is: verstoting uit de clan.

Sahra geeft me een dun dekbed en pakt zelf een van de wollen COA-dekens. Het bed is ruim genoeg voor ons drieën. In de andere kamers wordt nog gesproken, tv gekeken misschien. Van het appartement naast ons komt gestommel. Er draait een wasmachine.

Slaappillen

De volgende morgen hoor ik een wasdroger aan- en uitslaan. Op de snelweg, die het akkerland achter de hekken van gaas doorsnijdt, wordt hard gereden. Naast me twee hopen van dekens: een grote en een kleine met twee zwarte haardossen er bovenuit. Leila droomt hardop. ,,Van achteren'', zegt ze. Ze droomt in het Nederlands.

Dit is Sahra's zesde AZC en binnenkort verhuist ze naar het zevende. Ze gaat dichter bij de universiteit wonen, nu het zo goed gaat met haar studie. Ze hoopt ook op een rustiger omgeving. In het volgende AZC gaat ze alles anders doen: ze wil zich helemaal niet meer bemoeien met andere bewoners. Nu weten alle bewoners alles van haar. Ook over haar relatie met Mohammed. En over hun twijfel of ze met elkaar door zullen gaan, omdat ze in Nederland misschien samen geen toekomst hebben. Ook laat Mohammed zich de avances van een andere vrouw op het terrein te veel aanleunen naar de smaak van Sahra.

Joshua, van de sectie Angola, schreeuwt in de keuken door de muziek van Foxkids heen. De tv staat altijd aan. Het is acht uur.

,,Arme oma'', zegt Sahra ,,die kan pas slapen als ze om half één 's nachts op TV Cinq het Franse nieuws over Afrika heeft gezien.''

,,Je hebt ijzersterkte zenuwen nodig om in een AZC te kunnen leven'', zegt oma later op de dag. En die heeft ze niet meer sinds ze haar gezin kwijt is. Zij heeft één bed in gebruik, het andere is eronder geschoven. Twaalf paar schoenen staan op een rij. Waarom zou je elke tic uitbannen als je vluchteling bent? Ze laat me haar medicijnen zien: slaappillen, pillen tegen hoge bloeddruk, pillen tegen overgangsklachten en de rustbrenger oxazepam. Ze slikt ze allemaal in de maximale doses.

Als Leila met haar rugtas op naar school is vertrokken, staat Josef in de gang om met Sahra naar Jossie te gaan. Daarna gaat Sahra alle vrouwen van het terrein af: op woensdag kunnen ze met hun kinderen naar een museum, met aardige, witte mevrouwen van een tachtig jaar oude vrouwenvereniging in luxe auto's naar een toeristische attractie.

En dan is er nog het circus. Wie op het COA-schooltje zit, zoals de meeste kinderen van het AZC (Asielzoekerscentrum), kan er ook onder schooltijd voor oefenen. Met geld van Jantje Beton, het VSB-fonds en de Stichting Kinderpostzegels ondersteunt de Stichting Capriool leerkrachten in 29 AZC's bij de voorbereiding van een circus op donderdagmiddag.

Op de beruchte derde vakantiedag zijn we moe. Misschien wordt Sahra ongesteld. Ze heeft liefdesverdriet.

We bezoeken de Russische Lala (30, vijf jaar in Nederland) in een onbegrijpelijk geordende vluchtelingenwoning. Alle kleuren van de kamer zijn afgestemd op het blauw van het zeil op de vloer en de gordijnen. Aan de wand hangen Oostenrijkse landschappen gemaakt van puzzels van duizenden stukjes, met breed doorzichtig plakband vastgezet. Ze woont met twee andere vrouwen die haar stijl van huishouden ondersteunen.

Rusland? Daar is het toch veilig?

Niet als je bij Tsjetsjenië woont. ,,Laten we er niet over praten'', zegt ze. Haar Nederlands is vlekkeloos.

Ik trakteer in de stad op koffie met appeltaart. ,,Smakelijk eten'', zegt Sahra. ,,Hoeft niet'', zeg ik. Ik heb moeten beloven dat ik haar zal corrigeren. ,,Hoogstens aan het begin van een maaltijd.''

,,Wij van het AZC zeggen bij elke hap die we in onze mond steken `smakelijk eten' en als we iets drinken: `smakelijk drinken'. We willen het graag goed doen.''

Ze kijkt naar de manoeuvrerende boten in de haven. ,,Ik hoop dat op de volgende school van Leila zwemles gegeven wordt. In het vorige centrum had Leila een vriendje. Hij kon fantastisch voetballen. De bal rolde in het water. Hij is verdronken. Drie was hij.''

Precies om vijf uur zijn we bij de supermarkt. We winkelen laat, want het weekgeld is pas laat op de dag naar haar rekening overgemaakt. Bij de kassa ken ik alle wachtenden van het centrum. Iedereen pint met het pasje van de COA. Sahra heeft weer 69 euro te besteden voor haar en Leila. Die vraagt alles wat kinderen willen: chips met tatoeagestickers, cola, twix. Sahra zegt vaak nee en soms ja.

In huis is het volgens Sahra nog nooit zo rustig geweest. Ze denkt dat het door mij komt. Oma's sussende stem klinkt hard door aanzwellend kindergebrul. Ze probeert een rol te spelen in het gezin van haar Angolese buurvrouw die op de hoek van de bank zit waarop haar vriend uitgestrekt ligt. De Russische komt vertellen dat ze bang is voor publiciteit. Ze heeft slechte ervaringen met journalisten.

's Avonds laat wordt Sahra erg onrustig. Mohammed spookt door haar hoofd. ,,Ik ga vannacht wel thuis slapen'', zeg ik. Dan kan ze op haar kamer tenminste rustig met Mohammed praten. Ze protesteert niet.

De volgende ochtend vroeg ben ik weer terug. Het is museumdag. Het duurt van half tien tot elf voordat de twaalf luxe wagens met moeders en kinderen vertrokken zijn naar het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen.

Wij bezoeken 's middags de diploma-uitreiking van Sahra's zus Fatima, sociaal en cultureel werk niveau vier. Op haar zeventiende zat Fatima zonder verblijfsvergunning in een huurhuis in een stad waar ze niemand kende en niet mocht werken of leren. Leraren schreven haar toch in, kopieerden leermiddelen en lieten haar af en toe zwart iets bijverdienen. En nu staat ze daar na vier jaar schipperen te stralen, een kop groter dan haar docent. Acht jaar geleden leerde ik haar Nederlands spreken. Ze had een droom: ze wilde MBO-administratie doen. Haar voorkeur veranderde en ze stelde haar droom bij. Volgend jaar begint ze aan HBO-rechten, met geld van de stichting voor vluchtelingenstudenten UAF.

,,Moet je luisteren. Je bent gewoon een toppie. Dat is gewoon zo'', begint haar docent. Hij weet niet dat ze geen verblijfsvergunning heeft. De docent heeft zich niet gekleed voor de gelegenheid. Fatima wel. Zij draagt een feestelijk zwart-wit pak dat haar imposante vormen goed toont. Hartelijk besluit hij met: ,,Ik ben blij dat je in Nederland bent komen wonen.

Circus

Elke donderdag tussen negen en elf moet iedere vluchteling zijn kaart laten stempelen. Een lange rij wachtenden begint binnen, bij de tafel met twee politieagenten. Achter hen ijsbeert een gewapende agent. Buiten gaat de rij verder. Over het hele terrein bewegen zich bewoners naar het gebouw van de vreemdelingenpolitie, maar bedrijviger is het bij de slagboom. Niet iedereen die een plaats heeft in het centrum, woont er ook. Het zijn vooral lichtgekleurde mensen die een kamer buiten het centrum hebben gevonden.

Sahra: ,,De Russen krijgen het gemakkelijkst contact met Nederlanders. Ze hebben een witte huid en spreken geen andere talen dan Russisch, dus zijn erg gemotiveerd Nederlands te leren. Veel Afrikanen spreken Frans of Engels en hebben geen zin zich voor het Nederlands in te spannen zolang ze geen verblijfsvergunning hebben.'' Werkgevers die met toestemming zwart en ook tijdelijk werk te vergeven hebben, selecteren in de eerste plaats op huidskleur.

Wie contacten heeft, krijgt altijd werk. En wie werk heeft, kan zijn vrienden in het centrum aan werk helpen, als hij wil. Maar als je verstandig bent, zeg je tegen niemand dat je werk hebt. Daardoor komt het voor dat je gevolgd wordt als je naar je werk gaat, zodat andere vluchtelingen er ook om een baan kunnen vragen. Het werk is niet altijd zwart. Vluchtelingen kunnen een sofi-nummer aanvragen en drie maanden met toestemming werken.

Bij de kantine heerst de bedrijvigheid van kleine circusartiesten. Ze lopen heldhaftig, versjouwen meer stoelen dan ze dragen kunnen. Om vijf uur begint de voorstelling.

In de grote kantine is het dak van een circustent opgehangen. Vijftig geschminkte kinderen met glitterkostuums doen de acte de présence. Er gaat een zucht door de zaal als de kinderen over elkaar heen beginnen te buitelen, opgezweept door het versterkte gedreun van Afrikaanse drums. Leila is de jongste van allemaal. Ze hapert de eerste keer bij de koprol, maar herstelt zich. We worden stil van de melancholieke accordeon uit de film Amélie, terwijl de acrobaten een muur van kinderen bouwen. Het fijngebouwde, lenige natuurtalent dat bij elk onderdeel opvalt, pakt twee stokken met draaiende schoteltjes aan van een erg groot meisje uit groep acht en houdt ze eindeloos draaiende. Hij is een ster met een gouden toekomst. En alle artiesten stralen met hem mee.

De namen van vluchtelingen zijn om redenen van privacy gefingeerd