Zaniken in Boedapest

Direct na de val van de Muur trokken talloze avonturiers naar Oost-Europa om er getuige te zijn van de opbouw van een nieuwe, postcommunistische samenleving. Meestal waren het hoogopgeleide jongeren, afkomstig uit Noord-Amerika en tijdelijk op zoek naar iets spannends voordat ze aan een carrière op Wall Street zouden beginnen. Als ze zeventig jaar eerder hadden geleefd waren ze, na afloop van de Eerste Wereldoorlog, ongetwijfeld naar Parijs getrokken – zo'n beetje als de lost generation die rondscharrelt in Hemingways The sun also rises. Maar na 1989 werd Parijs ingewisseld voor steden met romantische klinkende namen als Praag, Boedapest, Warschau. Westerse, kapitalistische invloeden waren er dankzij het communisme decennialang geweerd, er leek iets oorspronkelijks bewaard te zijn gebleven, iets van het `Oude Europa' waar Amerikanen zo verliefd op kunnen zijn.

De debuterende schrijver Arthur Phillips (1969) moet ook zo'n tijdelijke Amerikaanse avontuurzoeker zijn. Zo een die over zijn tijd in het Wilde Oosten een roman heeft willen schrijven à la Hemingway in Parijs, met een sausje Proust en Joyce er overheen. Het boek heet Praag, terwijl het zich in Boedapest afspeelt. Praag is voor Phillips' personages hoogstens wat Moskou voor Tsjechovs drie zusters is: een stad waarnaar je altijd blijft verlangen zonder er ooit te komen, een stad waar het gebeurt, waar je ooggetuige van de geschiedenis bent.

Phillips probeert in een vaak vermoeiende woordenvloed een verhaal op te bouwen over..., ja, over wat eigenlijk? Hij schotelt je een eindeloze verzameling oersaaie belevenisjes voor van vijf gelukzoekers, een Canadees en vier Amerikanen: een cultuurhistoricus die onderzoek doet naar de geschiedenis van de nostalgie, een dandy-achtige investeringsbankier van Hongaarse komaf die in het geboorteland van zijn ouders fortuin hoopt te maken, een ambitieuze ambassademedewerkster, een jonge journalist van een Engelstalig sufferdje voor buitenlanders in Boedapest en diens broer, die Engelse les geeft. Het klinkt allemaal heel romantisch en avontuurlijk, zij het dat ze in 448 bladzijden weinig interessants te melden hebben.

Je kan dit opvatten als een perfecte manier van hun opgaan in de zwaarmoedige en vooral chaotische postcommunistische Hongaarse samenleving. Maar als je bedenkt dat Phillips' personages zelf niets van die zwaarmoedigheid vertonen en er in Boedapest zo'n beetje op losleven, dan blijft er van dat vermoeden niet veel over. Er wordt wat rondgehangen in cafés en nachtclubs, de cultuurhistoricus duikt het bed in met een Hongaarse schandknaap, de bankier doet goede zaken en de journalist is verliefd op de ambassademedewerkster, een liefde die niet wordt beantwoord. Boedapest zelf blijft van bordkarton, zodat de roman zich net zo goed in Oklahoma City had kunnen afspelen.

Phillips' antihelden zijn ongetwijfeld op zoek naar zichzelf en hopen daar in de vervallen Hongaarse hoofdstad beter in te slagen dan in hun geboorteland. Ze zijn de generatie Nix in het buitenland: niets meegemaakt en nergens belangstelling voor. En zo ontstaat een voortsudderende roman, bevolkt door oppervlakkige wezens, en misschien is dat precies wat Phillips wilde laten zien. Als bewijs daarvoor zou het lot van de nostalgische cultuurhistoricus kunnen dienen. Tijdens de Eerste Golfoorlog ontdekt hij de magie van de rechtstreekse nieuwsverslaggeving op CNN en beseft hij ineens dat zijn `verlangen naar gisteren' een illusie is. Hij geeft zijn onderzoek naar de nostalgie op en vertrekt. Het had een logisch einde kunnen zijn van Praag, maar helaas kabbelt de roman nog zo'n honderd bladzijden voort.

Toch bevat Praag ook een mooi en ontroerend gedeelte: het tweede hoofdstuk. Daarin wordt aan de hand van de lotgevallen van het uitgeversgeslacht Horváth op een postmoderne, Kunderiaanse wijze de hele twintigste-eeuwse geschiedenis van Hongarije verteld. Dit relaas beslaat echter maar 61 bladzijden, wat niet opweegt tegen de vervelende onzin op de overige 387 bladzijden. Een aantal Amerikaanse critici heeft Phillips' debuut als groots betiteld. Het maakt maar weer eens duidelijk hoe anders daar over het Oude Europa wordt gedacht.

Arthur Phillips: Praag. Vertaald uit het Engels door Anneke Goddijn-Bok. De Geus, 448 blz. €24,90