Wat er ook gebeurt, het is onrustbarend

De in Zuid-Afrika woonachtige dichter Alfred Schaffer debuteerde in 2000 met de opvallende bundel Zijn opkomst in de voorstad, die werd genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs. Zijn tweede bundel, Dwaalgasten (2002), werd vorig jaar terecht genomineerd voor de prestigieuze VSB Poëzieprijs. Onlangs verscheen Geen hand voor ogen, Schaffers derde bundel, en zijn beste tot nu toe.

De kracht van de suggestie is altijd Schaffers sterkste wapen geweest. In deze bundel hanteert hij die met meer trefzekerheid dan ooit. In zijn eerdere bundels poseerde de dichter als toeschouwer, die zijn op het eerste gezicht onschuldige, zij het enigszins verontrustende observaties wist te kruiden met een scherpe suggestie van onbehagen en dreiging. In deze bundel wordt onbehagen angst en dreiging gevaar. Geen hand voor ogen is niet alleen vanwege de titel Schaffers donkerste bundel. De dichter is niet meer zo zeker van zijn rol. Hij is toeschouwer en dader, slachtoffer en schuldige tegelijk. Het openingsgedicht, `Land zo ver je kijken kunt', thematiseert deze ontwortelende verwarring:

En dan gaat het doek op, het rode woordje EXIT stelt ons gerust.

Je concentreert je weer op de verkeerde dingen, in de verte doe je me

zelfs denken aan iemand anders. Zo met die sigaret in je mondhoek,

een reisgids in je linkerhand, je wapen in je rechter. Verdacht veel

aandacht voor het detail. Is deze verering wel terecht? Hoe ver draagt

je echo? Onze kijkzucht overtreft de stoutste verwachtingen, maar het is

niets om je zorgen over te maken, jouw schuld is het niet, zoals je daar

staat, de afstand ontmaskerd: het beeld is nauwelijks weg te denken.

Er stond iets te gebeuren? Of is het al voorbij, de vinger aan de trekker,

de kringelende rook – dat kan ik niet hebben gedaan denk je nog, dat

kán ik niet hebben gedaan. Al die achterdocht om niets, gekneed uit

het soort stof waar, in een uiterst verleden, dromen van werden gemaakt.

Het gedicht, en daarmee de bundel als geheel, begint met het openen van het doek, maar we zijn nog niet koud begonnen, of we zoeken al naar de geruststelling van de nooduitgang. Het opgaan van het doek maakt ons tot toeschouwers. Maar al in het tweede vers gaat het mis. De toeschouwer speelt zijn rol slecht, want hij concentreert zich op de foute dingen. Het woordje `weer' suggereert bovendien dat de toeschouwer er een gewoonte van maakt om foutief toe te schouwen. Op een bijzonder geraffineerde manier verschuiven en versmelten de rollen van toeschouwer en acteur, doordat er bewuste onduidelijkheid wordt gecreëerd over de vraag of de derde `je' in de tweede regel dezelfde persoon is als de twee eerste `je's'. Daarmee wordt de lezer betrokken in dit complot van exhibitionisme en voyeurisme omdat ook hij zich aangesproken kan voelen door de tweede persoon enkelvoud.

De details in de eerste strofe laten goed zien hoe effectief Schaffers suggestieve manier van dichten kan werken. De sigaret die losjes in de mondhoek bungelt creëert een atmosfeer van film noir, en de combinatie van een reisgids en een wapen roept allerhande associaties op. In elk geval is iemand met een reisgids en een wapen in zijn hand iets van plan. In elk geval staat er iets te gebeuren. En we zijn er zeker niet gerust op dat dat allemaal goed afloopt. Met minimale middelen worden de dreiging en de angst voelbaar gemaakt. Bijzonder effectief valt het woord `verdacht' vervolgens, waarna die conclusie achter het zware enjambement van kleur verschiet.

De tweede strofe maakt van de toeschouwer een voyeur. De woorden `kijkzucht', `stout', `zorgen', `schuld' en `ontmaskerd' suggereren het ongemakkelijke besef van de zondigheid en onbehoorlijkheid die de rol van de toeschouwer aankleven. `De afstand ontmaskerd' is een fascinerende frase, die lijkt te betekenen dat de kunstmatige distantie tussen kijker en bekekene is weggevallen. In de derde strofe blijkt het schot al te zijn gevallen. Voordat de toeschouwer goed en wel beseft wat er is gebeurd, moet hij tot zijn ontsteltenis vaststellen dat hij zelf kennelijk de dader is. Het is maar een film, wil hij zichzelf in de laatste regel toeroepen, het is niet echt gebeurd. Maar de slotregel biedt geen geruststelling: de tijd dat deze gebeurtenissen waren gemaakt (om te spreken met Shakespeare) van het spul waar ze dromen van maken, ligt in `een uiterst verleden'. Zo is het tegenwoordig allang niet meer.

Je zou dit hele gedicht kunnen lezen als het verslag van een bioscoopbezoek, waarbij de ikfiguur zich al te zeer laat meeslepen door het verhaal en zich identificeert met de gangster op het doek. Maar het is veel meer dan dat. Het toont een diep, om niet te zeggen existentieel onbehagen en het toont het niet door het te benoemen, maar door het op een uiterst suggestieve manier voelbaar te maken. Dat is goede poëzie.

Geen hand voor ogen is bepaald geen geruststellende lectuur. Overal loert ellende. Een verliefd stel hoeft elkaar maar aan te kijken in een kort moment van geluk of onmiddellijk volgt de vraag: `Wie van hen beiden zal de ander overleven?' Een uiterst sensuele beschrijving van volmaakte seks eindigt met: `Jíj hier?' hikt ze, `was dát even schrikken, / ruik jij dat ook, volgens mij staat hier iets aan te branden.' Vissers op weg naar het strand passeren `zwijgende soldaten' en `autowrakken'. Hoeveel twijfel en angst gaat er niet schuil in de liefdevolle zin: `Ik wil dat je een goede dag hebt gehad.'? Vaak gebeurt er niet zoveel in de gedichten, maar er wordt bij voortduring gesuggereerd dat er iets te gebeuren staat en wat er te gebeuren staat, kunnen we niet met een gerust hart tegemoetzien.

In de één na laatste cyclus van de bundel, `Eenmaal andermaal', gebeurt er opeens wel wat: `helikopters boven de snelweg, mensen in paniek, zwaailichten, / de koelbloedige afrekening op klaarlichte dag, de besmeurde achterbank.' In zes knappe, beeldende gedichten wordt het drama ons voor ogen getoverd. Er is sprake van een nachtelijke autorit, een meisje naast de chaufferende ikfiguur, `voorzichtig schuift mijn vrije hand / tussen je benen, de andere hand stevig aan het roer', en een fataal ongeluk. `Van alles bedenken om maar wakker te blijven. [...] Geen hand voor ogen.' Op de manier zoals het openingsgedicht de rollen van toeschouwer en acteur laat versmelten, zo creëert deze cyclus angstaanjagende onzekerheid over de vraag wie het slachtoffer is en wie de ramptoerist. Over het meisje wordt soms in de verleden tijd gesproken: `Ik ben nog niet vergeten hoe je rook als je net wakker was.' De ikfiguur ziet zichzelf als in een film: `Een goed gekozen close-up van mijn voet op het gaspedaal'. En net zoals in het openingsgedicht sluipt het pijnlijke besef binnen dat de mogelijkheid bestaat dat de ikfiguur zelf de schuldige is.

Dit is poëzie om van wakker te liggen. Met Geen hand voor ogen vestigt Schaffer definitief zijn naam als een van de belangrijkste dichters van zijn generatie.

Alfred Schaffer: Geen hand voor ogen. Gedichten. De Bezige Bij, 91 blz. €16,--