Uit een aparte la

De tentoonstelling `Afrika Remix' in Düsseldorf laat de veranderende houding van het westen zien ten opzichte van kunst van achter de eigen horizon. Eindelijk gaat het gewoon om kunst.

De kunsthistoricus Jean-Hubert Martin is ermee begonnen, eind jaren tachtig. De toenmalige directeur van het Parijse Centre Georges Pompidou organiseerde in 1989 de mammoettentoonstelling Les Magiciens de la Terre, met kunst uit de hele wereld. Het was een eerste teken van mondialisering in de kunst, van multiculturele ambitie, van een herwaardering van de, uiteraard, westerse standaard. Het succes was even groot als het evenement zelf, al was er met name in Nederland veel kritiek op. De selectie zou niet de juiste accenten hebben aangebracht, de geografische verdeling was niet goed, de toon te bevoogdend.

Waar of niet waar, de discussie erover bewees hoe moeilijk het is afstand te doen van `de stilzwijgende hegemonie' van het westen. De term is van Hervé Chandès, maker van de verwante expositie Un Art Populaire in de Parijse Fondation Cartier, eind vorig jaar. Dat wil zeggen: bijna vijftien jaar na Les Magiciens de la Terre. Chandès bekende de gangbare opvattingen over kunst er eveneens mee ter discussie te willen stellen, maar aan die discussie nog altijd slechts `stamelend' deel te nemen. `Vage noties van vage wereldbeelden' doemden op, en, zoals gezegd, ook van `stilzwijgende hegemonie'. Eenvoudig stelde Chandès: ,,Ik ben op mijn hoede geweest voor het exotische (-) dat is nooit meer dan een vorm van onwetendheid.''

Uit oprechte nieuwsgierigheid of uit politieke drang de hegemonie te breken – sinds Les Magiciens de la Terre is de kunst `van elders' in het westen in het brandpunt van de belangstelling komen te staan. Gezien het aantal tentoonstellingsmakers dat in de jaren negentig in Martins voetsporen trad, kan bijna van een gat in de markt gesproken worden. New York organiseerde Africa Explores, Londen Africa, The Art of a Continent, Groningen Africa Now, Den Haag Rhizome en Amsterdam Het klimaat, met werk van in Nederland woonachtige buitenlandse kunstenaars.

Martin zelf liet zich ook niet onbetuigd. Hij was de samensteller van biënnales van Johannesburg, Lyon, Sao Paulo en Sydney – alleen al geografisch evenzovele bewijzen van zijn multiculturele belangstelling.

Smoes

Twee weken geleden voegde Martin een nieuwe etappe toe aan zijn zoektocht, met de opening van de expositie Afrika Remix, in het Museum Kunst Palast in Düsseldorf, waarvan hij sinds 2000 directeur is. De tentoonstelling is tot stand gekomen in samenwerking met de Hayward Gallery in Londen, het Centre Pompidou in Parijs en het Mori Art Museum in Tokyo. Afrika Remix zal deze plaatsen in de loop van het volgende jaar aandoen. Aan dit illustere lijstje had het Stedelijk Museum, eervol uitgenodigd om deel te nemen aan het project, zichzelf toe kunnen voegen. Het heeft de uitnodiging afgeslagen. De conservatoren, mede-verantwoordelijk voor de afgrondelijke teloorgang van de internationale reputatie van `hun' museum, gaven de voorkeur aan hun `eigen projecten', zoals de huidige stoelententoonstelling. Los van de smoes die ze voor de afwijzing zullen weten te bedenken, is bekend wat die `eigen projecten' waard zijn. Je zou denken dat ze aanleiding geven tot enige ootmoed en bescheidenheid. Niet dus.

Had het Stedelijk moeten participeren? Ja, al was het maar om in internationaal verband op z'n minst weer eens genoemd te worden. Maar het had vooral moeten meedoen om te laten zien dat er bijvoorbeeld nog andere Marokkanen zijn dan de geitenneukers van Theo van Gogh. Het museum kan alsnog `instappen', zo meldt Mattijs Visser, de Nederlandse verantwoordelijke voor de wisselende tentoonstellingen in Düsseldorf, grootmoedig – voor slechts 120.000 euro.

Wat daarvoor geboden wordt, is gelukkig hoe dan ook te zien op een afstand van slechts twee uur treinen van Amsterdam. De uit Kameroen afkomstige en in Parijs wonende kunstcriticus Simon Njami selecteerde bijna honderdvijftig werken van 88 kunstenaars uit 25, uitsluitend Afrikaanse landen. Het gaat om schilderkunst, tekeningen, beelden, installaties, fotografie en video en, in het algemeen, om hedendaagse kunst. Geen der werken is ouder dan tien jaar en sommige werden speciaal voor de gelegenheid gemaakt.

Aan Afrika Remix is de veranderende houding van het westen ten aanzien van kunst van achter de eigen horizon af te zien. Er is zelfs al een frappant verschil met het recente Art populaire in de Fondation Cartier. Die tentoonstelling ging weliswaar over de prikkelende vraag waar kunstnijverheid ophoudt en kunst begint, maar automatisch ook over de verschillen tussen westerse en niet-westerse kunst. De schilderijen van de Congolees Cheik Ledy spraken wat dat betreft boekdelen – of liever: stelden precies de juiste vragen.

Ledy werkt met verf op doek, materieel verschil met die van Jackson Pollock en Rainer Fetting is er niet. De karikaturale achterwerken van de vrouwen op zijn doeken zijn bovendien stilering, abstrahering zo men wil, met de hyperbool als stijlmiddel. Hij geeft zijn figuren aan met zwarte contouren en hij legt hen, met een pijl in de richting van de `spreker', teksten in de mond. Precies zoals in strips gebeurt, precies zoals Roy Lichtenstein doet. Bij de laatste is onweerlegbaar sprake van kunst, van `pop-art' om precies te zijn. Bij Ledy, óók pop-art en in zekere zin het origineel, is de eerste associatie: volkskunst. Want Afrikaans. Want niet-Amerikaans.

Dat vreemde mechanisme verklaart waarom, zodra sprake is van exotica, tentoonstellingsmakers zich genoopt voelen zich te verantwoorden, op een andere manier dan in het geval van westerse kunst. Het tonen daarvan spreekt vanzelf, hoe uitzinnig ze ook is, terwijl de kunst van elders verklaard, ingeleid, gerechtvaardigd moet worden. Het Londense Africa, the Art of a Continent ging in 1995 nog terug tot op de prehistorie om vooral maar te laten zien dat het donkere continent de bakermat van onze beschaving is. Ook wordt uitheemse kunst vaak `in dialoog' met grootheden als Picasso en Miró geëxposeerd, ten bewijze hoezeer de `primitieve' vormentaal hen beïnvloed heeft. Op die manier kan het werk gewaardeerd worden. By association.

Het westerse oog heeft onmiskenbaar een probleem met uitheemse kunst. Het blijkt al uit de benoeming ervan. `Negerkunst' kan niet meer, zomin als `oerkunst', `primitieve' of het ingewikkelde `primordiale' kunst. Het probleem is zo netelig dat men zelfs de zoektocht naar de juiste naam voor het nog te openen, nieuwe museum voor deze soort kunst aan de Parijse quay Branly – een `Grand Travail' van president Jacques Chirac – lijkt te hebben opgegeven. Het heet vooralsnog Musée Branly, analoog aan de courante naam voor het museum voor negentiende-eeuwse kunst, Musée d'Orsay. In de stille hoop dat iedereen daarmee uiteindelijk genoegen zal nemen en de kwestie laat rusten.

In 2000 werd in het Louvre een voorproefje geopend van 'Branly'. Een presidentieel bevel maakte een eind aan een decennium van weerstand. Ook hier was de naam een probleem. De plaats van de ingang, quay du Louvre, bracht helaas geen soelaas. De afdeling werd dus maar `Arts Premiers' gedoopt. Even kuis als onjuist: de meeste werken zijn nog geen vijfhonderd jaar oud.

Het verzet van het Louvre hield verband met de vraag of de getoonde kunst wel kunst was. De voorwerpen, hoe fraai ook, zijn allemaal vervaardigd in een traditie van kopiëren, van kunstnijverheid. Ze zijn niet de allerindividueelste expressie van een allerindividueelst gevoel. Ze hebben een religieuze, occulte of magische betekenis, het zijn gebruiksvoorwerpen.

De even legitieme als pijnlijke vraag van de Louvre-conservatoren of alle pracht ook kunst is, werd uiteindelijk gesmoord in een radicale esthetisering van de inrichting. Architect Jean-Michel Wilmotte, die ook het Rijksmuseum gaat herinrichten, ontwierp een zo neutraal mogelijk, zakelijke omgeving. Niets verwijst naar de gebruiksfunctie van de voorwerpen. Sokkels, vitrines en belichting bombarderen ze tot `autonome' kunstwerken. Maskers, cliché van de `primitieve' kunstuiting, zijn tot het minimum beperkt.

In de zoektocht van het westen naar de juiste omgang met `exotische' kunst, kan de tentoonstelling in Düsseldorf een nieuwe etappe worden genoemd. De emancipatie van niet-westerse kunst is nu kennelijk zover, dat men het cultureel-religieuze en antropologische aspect ervan kan laten voor wat het is. In Düsseldorf wordt `gewone' moderne, hedendaagse kunst getoond. Anders dan van het werk van hun voorvaderen staat de autonomie van dat van de uitgekozen kunstenaars niet ter discussie. Het gaat onverbiddellijk om kunst.

Machinerie

De musea en tentoonstellingmakers emanciperen, net als het publiek. En net als de kunstenaars zelf. In de catalogus van Afrika Remix schrijft David Elliott in een essay met de omineuze titel `Afrika, tentoonstellingen en de angst voor de duisternis', dat kunstenaar Hasan Musa, uit Soedan, in 2000 weigerde mee te doen aan de biënnale van Lyon. De verklaring van zijn weigering ging impliciet schuil in de titel van de biënnale: `Partage d'Exotismes', het delen van het uitheemse. Musa weigerde een in Afrika geboren kunstenaar te zijn die door `een merkwaardige machinerie in de kunstwereld wordt ingepast en tegelijkertijd in een aparte la wordt gestopt'.

Musa doet, vier jaar later, mee aan Afrika Remix. Kennelijk is zijn probleem opgelost. Misschien doordat de tentoonstelling exclusief aan Afrika is gewijd, misschien ook doordat samensteller Simon Njami een Afrikaan is. Maar ongetwijfeld is het idee van deelname aan een tentoonstelling in het westen ook gewoner geworden. En zelfs is het mogelijk dat Musa zich heeft gerealiseerd dat zijn verwijt niet uitsluitend op een westerse `machinerie' terug te voeren is.

In de catalogus schrijft Njami een simpel, kernachtig zinnetje: ,,Afrika is tegelijkertijd zeer oud en zeer jong.'' Met andere woorden, het continent heeft een lange en rijke geschiedenis, waaruit veel `echte' kunstenaars in het westen inspiratie hebben geput, maar ondanks of juist dankzij die geschiedenis staat de kunst, zoals die volgens de moderne opvattingen zijn moet – conceptueel en autonoom – er nog in de kinderschoenen.

Intussen is Afrika Remix, ondanks Musa's deelname, nog steeds een `aparte la'. Het in zekere zin etnische selectiecriterium is de Afrikaanse herkomst van de kunstenaars. Dat kleurt de blik en alleen al daarom is de expositie confronterend. Bijna afgedwongen door de opzet ervan is een onloochenbaar onderdeel van de bewondering de verwondering. Verwondering over het vernuft, het inzicht, de originaliteit, de moderniteit van de gekozen middelen, de actualiteit van het thema. Of juist verwondering over het `l'art pour l'art'-gehalte van sommig werk. Afrikaanse kunst `moet' immers gaan over achterstand, misère en uitbuiting.

Dekolonisatie is kennelijk een lang proces, voor alle betrokkenen.

De tentoonstelling is onderverdeeld aan de hand van drie thema's: Geschiedenis & Identiteit, Lichaam & Ziel, Stad & Land. Die onderverdeling schaadt niet, ze baat evenmin. Veel nuttiger, maar waarschijnlijk in strijd met het uitgangspunt, was geweest de geografische selectie verder door te voeren. In Arles was jaren geleden een verhelderende tentoonstelling te zien over Hongaarse fotografen, onderverdeeld in twee secties: zij die gebleven en zij die vertrokken waren. Van de deelnemers aan Afrika Remix woont een groot aantal in het westen. Alleen al uit Amsterdam komen Marlène Dumas, Moshekwa Langa en Meschac Gaba.

Het zou een aparte studie waard zijn om na te gaan in hoeverre dat gegeven – onontkoombaar – hun werk bepaalt en, vergelijkenderwijs, waarin het verschilt van dat van hen die `gebleven' zijn. Sommige werken geven zelf het antwoord. Er blijkt direct uit hoe verhelderend dat is. Zineb Sedira (1963), geboren in Parijs (!), toont de video-installatie Father, Mother and I, uit 2003. Op twee aparte schermen vertellen haar uit Algerije afkomstige ouders over de desillusies van hun leven in het westen, de zorgen over hun kinderen en over hun mislukte voornemen om, ooit, terug te gaan naar hun land. Op een derde scherm hoort hun totaal verwesterde dochter hun wanhoop zwijgend en gepijnigd aan.

Buikdanseres

Soortgelijk, vrolijker werk toont Zoulikha Bouabdellah (1977), ook van Algerijnse herkomst, geboren in Moskou (!). In een korte video, met de titel Dansons, toont zij een close-up van de lendenen van een buikdanseres, die omgord worden met een rode, blauwe en witte van rinkelende pailletten voorziene doek en vervolgens op de maten van de `Marseillaise' beginnen mee te deinen. Er is hoop, kennelijk, voor harmonie.

Een politiek incorrectere vraag dan die naar de huidige woonplaats van de kunstenaars dringt zich evenzeer op. Wie van de getoonde `Afrikanen' is blank, wie zwart? Het wekt geen enkele verbazing dat Commune: Onomatopoeia, een prachtige, esthetische, `zwevende' stijlkamer, vol met Europese en Afrikaanse verwijzingen, van de hand is van Wim Botha, een blanke, Afrikaans-sprekende Zuid-Afrikaan. Het overgrote deel van de Zuid-Afrikaanse deelnemers is trouwens blank: het is duidelijk op grond van hun naam of van hun werk.

Doet het er toe? Ja en nee. Voor de bewondering is het niet van belang, voor het begrip wel. Misschien vallen die twee trouwens wel samen.

Van dezelfde orde is de vraag of het wel klopt om, louter op grond van het criterium `Afrika', een grootheid als de (blanke) Zuid-Afrikaan William Kentridge – vertegenwoordigd met onder meer de fascinerende animatiefilm Ubu tells the truth – in dezelfde tentoonstelling op te nemen als de (waarschijnlijk zwarte) Nigeriaan Dilomprizulike. Niet dat het werk van de laatste – een overrompelende uit lompen en oud metaal opgebouwde rij vogelverschrikkers met de geestige titel Waiting for Bus – onderdoet voor dat van Kentridge. Maar op deze manier kan men, aan de hand van het ordeningsprincipe `eiland', even goed IJslandse en Haïtiaanse kunst samenbrengen.

Tegelijkertijd symboliseren de uitersten, het is een cliché, inderdaad Afrika. Ze zijn zelfs de reden waarom de tentoonstelling noodzaakt tot (beter) kijken, vergelijken, teruglopen, aarzelend proberen verbanden te leggen.

Los daarvan is er veel moois te zien. Eén van de mooiste stukken is van de Ghanees (en in Nigeria wonende) El Anatsui, een reusachtig wandkleed vervaardigd van aluminium doppen en wijnfleskragen. Het is speciaal gemaakt voor de expositie – óók een verschil dat zich eventueel duiden laat, met het uit 1997 stammende werk dat Kentridge inzond en met Dumas' overigens schitterende Blindfolded, uit 2001.

Uitzonderlijk is het werk van Benyounès Semtati (1966), geboren in Marokko, wonend in Parijs. Hij vult een wand met viltstift en vetkrijt-tekeningen op A4-papier. Ieder vel is onderverdeeld in geometrische blokken met afzonderlijke voorstellingen, zoals gezichten en lichaamsdelen, maar ook gebruiksvoorwerpen en symbolen. Het in totaal zeven meter lange en veertig centimeter brede werk is een hallucinerend, hedendaags hiëroglief.

Afrika Remix is een probaat middel tegen vooroordelen. Van de 88 kunstenaars uit 25 landen komen er relatief veel (6) uit Egypte, dat achterlijke land dat homoseksuelen opsluit. Ghada Amer (1963), geboren in Kairo, wonend in New York en aldaar uitgegroeid tot dure grootheid, toont beschilderde doeken waarop zij in grillige vormen garen aanbrengt. Even fascinerend is het werk van Amers landgenote Sabah Naim (1967), geboren en wonend in Kairo, die ingekleurde foto's van straatbeelden combineert met abstracte, uit gekleurde rolletje papier opgebouwde vlakken.

Hassan Musa, uit het van terroristen wemelende Soedan, toont Osama Bin Laden als op zijn buik poserende naakte pin-up, tegen een achtergrond van de Amerikaanse vlag. `Great American Nude' staat er op te lezen. Musa wilde niet in een kunsthistorische `la' worden opgeborgen. Misschien was uiteindelijk niet de kunst maar de politiek zijn overweging om mee te doen.

`Afrika Remix' is tot 7 november te zien in Museum Kunst Palast in Düsseldorf, Duitsland. Di t/m zo 11-20u. Cat. 352 p. €29,90. Inl: www.museum-kunst-palast.de.