Job op een mestvaalt

Dankzij de dorpsarts groeide het Drentse Diever uit tot toneeldorp. Al ruim een halve eeuw lang wordt in het openluchttheater iedere zomer een stuk van Shakespeare gespeeld.

Naarmate de reiziger het Drentse dorp Diever nadert, worden de bossen steeds dichter. Op de beschaduwde brink met eendenvijver staat een wegwijzer die het `Openluchttheater' aangeeft en een andere wijzer die met trots aanduidt `Stratford-upon-Avon: 632 km.' Diever is het Nederlandse theaterdorp waar sinds 1946 onder het groen van de bladeren en de sterrenhemel elk jaar een toneelstuk van Shakespeare wordt uitgevoerd. De tragedies zowel als de blijspelen, de historische stukken evengoed als de komedies.

De verwijzing naar het geboortedorp van de schrijver onthult de trots van Diever op de Shakespeare-traditie. Hamlet, King Lear, Shylock uit De koopman van Venetië, Prospero, Ophelia, Cymbeline, Romeo en Julia, Catharine uit De getemde feeks en al die andere personages hebben in het Dieverse gestalte gekregen. Deze zomer werkt de nieuwe regisseur Jack Nieborg aan een van de moeilijkste toneelstukken van Shakespeare, Timon van Athene uit 1623. Dit stuk is niet eerder in het Drentse brinkdorp gespeeld.

Op 31 augustus 1946 werd de toon gezet met een opvoering van Een Midzomernachtsdroom in de regie van dorpsarts L.D. Broekema, oprichter van de `Toneelvereniging Diever'. De Meppeler Courant van destijds berichtte op 3 september: ,,Langs den steenen weg tusschen Diever en Wateren was het Zaterdag- en Maandagavond een ongewone drukte. Voetgangers, wielrijders, auto's en zelfs groote bussen kwamen, sommige vanuit verder gelegen dorpen en steden, naar `Berkenheuvel', om daar, op dit zoo geschikte terrein, de uitvoering te zien van de `Midzomernachtsdroom'. De zon was reeds onder en een kunstmatige lichtbundel toonde `t kleine plateau, dat als tooneel dienst deed en waarvoor verscheidene honderden toeschouwers een plaats hadden gevonden.'' Die `kunstmatige lichtbundel' heeft dokter Broekema nogal moeite gekost. Het was vlak na de oorlog niet eenvoudig aan het juiste materiaal te komen en een stroomvoorziening was er in het openluchttheater aanvankelijk niet. Naar verluidt repeteerden de spelers in het schijnsel van de koplamp van Broekema's motorfiets. Later werd elektriciteit `afgetapt' van de dichtstbijzijnde lichtmast aan de Bosweg, toch nog zo'n tweehonderd meter van het theater verwijderd.

Broekema was de tovenaar van het plattelandsdorp. Hij gebruikte de vertaling van Burgersdijk, die hij nagenoeg onveranderd en integraal door de spelers liet zeggen. Alleen dat was al een bijzonderheid, want Broekema werkte met amateurs uit de plaatselijke bevolking. Hij ontwierp de affiches met de wervende mededeling: ,,Bezoekt in de prachtige bossen van Diever een van de opvoeringen van Een Midzomernachtsdroom.'' Bovendien nam hij de zorg voor de kostuums op zich. Ook dat kostte in de na-oorlogse tijd moeite, want stoffen waren nog op de bon. Maar dokter Broekema had voor alles een oplossing: hij kocht, in zijn hoedanigheid als arts, een paar kilometer verbandgaas en daar werden elfenkostuums van genaaid, bestemd voor het gevolg van Oberon en Titania, koning en koningin van het elfenrijk.

Bosachtergond

Om decors hoefde het prille gezelschap zich niet te bekommeren. Het openluchttheater, aangelegd in een natuurlijke glooiing van het landschap, biedt een onberispelijke entourage voor de Shakespeare-stukken. Net als Een Midzomersnachtsdroom vereisen King Lear en De storm nauwelijks decor. Broekema achtte de `bosachtergrond' meer dan geschikt. In datzelfde bos had Broekema zijn zogeheten `kraaiennest' in een boom van waaruit hij de regieaanwijzingen gaf. Hier stond een koffergrammafoon die met de hand werd bediend. Tijdens de Midzomernachtsdroom schalden Mendelssohn en Chopin door het woud.

De `Toneelvereniging Diever' had een duidelijk doel: Broekema wilde kunst in het dorp brengen. Maar de vereniging begon geleidelijk veel meer voor het dorp te betekenen. Van de tweeduizend inwoners doet tien procent, zo'n tweehonderd mensen, mee. Dat varieert van spelers tot technici, van de dames van het naaiatelier tot beheerders van de rekwisieten en `zaalwachters'. Alle kostuums zijn bewaard gebleven. Het archief, dat zich bevindt in een tamelijk onzichtbaar gebouw achter het toneel, is indrukwekkend. Honderden mantels, jurken, hoeden en tal van schitterende gewaden weerspiegelen de opvoeringsgeschiedenis van zo'n bijna vijftig Shakespeare-stukken. Van begin af aan deed de jeugd intensief mee. Er is nu een tweede generatie spelers aangetreden. De kinderen die Broekema als arts ter wereld hielp komen, deden eerst mee in kleine rollen en staan nu als volwaardige spelers in het bostheater. Hele Dieverse gezinnen zijn opgegroeid met Shakespeare.

Niet alleen de kostuums, ook elke voorstelling is gearchiveerd. Tekst- en regisseursboek, brieven, krantenknipsels staan geordend in dozen tegen de wand. Verantwoordelijk hiervoor is acteur Bert Kroon, in zijn werkende leven toneelrecensent. Na de onverwachte dood van Broekema in 1979, nadat hij in Assen een voorstelling van Peer Gynt had bijgewoond, nam regisseuse Wil ter Horst de artistieke leiding over. De bezoekersaantallen zijn altijd hoog geweest, gemiddeld zo'n vijftienduizend per zomer. De enige echte bedreiging vormde korte tijd de televisie wanneer Mies Bouwman haar praatshow had.

Het brede gebaar

Ook kon het Dieverse theater zich verheugen in vooraanstaand bezoek: koningin Juliana woonde in 1961 de uitvoering van Leer om leer bij en vijftien jaar later was prinses Beatrix aanwezig bij een uitvoering van hetzelfde stuk. Toneelliefhebbers uit de jaren zestig waren verbaasd over de `Albert van Dalsum-achtige speelstijl' van het amateurgezelschap. Broekema, die figurant bij de Nederlandse Comedie in de Amsterdamse Stadsschouwburg was geweest, had het brede gebaar, de verheven toon en de rollende `r' aan zijn spelers doorgegeven. Het was alsof `Amsterdam naar Diever was gekomen', schreef recensent Bert Kroon in Het Vrije Volk. Sommige spelers waren de status van amateur aan het ontgroeien en toonden rollen van bijna professionele kwaliteit. Toch is het altijd bijzonder om in de programmakrant van 1958 over het liefdesdrama Romeo en Julia een aankondigingen als de volgende te lezen: ,,Pieter Boelens, zuivelaar van beroep, transformeert zich straks in de figuur van Romeo'' en ,,Jantina Figeland, dochter van een molenaar, neemt de rol van Julia voor haar rekening''.

Eén keer onderbrak Broekema de Shakespeare-traditie in 1949 met de opvoering van Ibsens Peer Gynt. Broekema beargumenteerde zijn keuze als volgt: ,,Peer Gynt is een stuk, geschreven door een Noorderling en als zodanig is het te verwachten dat stuk enigszins afgestemd zal blijken te zijn op het karakter van ons Noorderlingen.'' Een artistiek succes werd Peer Gynt niet, wel trok het zo'n kleine vierduizend bezoekers. Daarna nooit meer een Ibsen of een andere toneelschrijver in Diever. Het werd voorgoed Shakespeare.

Diever stond aan het begin van enkele belangrijke carrières in de Nederlandse toneelkunst. Zo debuteerde Siem Vroom in 1952 als Orlando in Elck wat wils. Als gewetensbezwaarde deed hij vervangende dienstplicht in het naburige Vledder. Meer dan zevenduizend mensen kwamen kijken. Dat jaar werd door Broekema voor het eerst gebruik gemaakt van geluidsversterking. Niet langer overheersten kwinkelerende nachtegalen in het struweel de stemmen van de spelers.

De toneelvereniging heeft het zich nooit makkelijk gemaakt. Aanvankelijk viel het spelen van Shakespeare verkeerd bij een deel van de plaatselijke bevolking, die volgens Broekema leed aan `culturele armoede'. Vier jaar na de oprichting speelde men Hamlet, dat meteen nationale bekendheid verwierf. Uit het hele land kwamen er bezoekers. Op een foto uit die tijd is Hamlet te zien met de schedel van Yorrick in zijn hand. Hij draagt een zwart kostuum met een witte kraag. Hij wijst naar de mond van de schedel die zoveel poëzie heeft gezegd. Ook de schedel is bewaard, hij prijkt in een glazen vitrine.

Aan de geschiedenis van het Dieverse openluchttheater is ook iets af te lezen van de na-oorlogse toneelhistorie. Sloot Broekema met zijn hoogdravende stijl aan bij de Nederlandse Comedie, Wil ter Horst koos in de jaren tachtig en negentig voor een moderner, gestileerder speelstijl. De vertaling van Burgersdijk voldeed niet meer voor het hedendaagse publiek. Emmy Wijnholds zorgde voor een snellere, eigentijdse toon.

Zo viel een nieuwe uitvoering van Leer om Leer (Measure for Measure) in 1997 op door een meeslepend tempo. Dit grillige blijspel werd gesitueerd in een Weens bordeel. Temidden van de bosschages klonken stadsgeluiden en zacht toeterende auto's. Elektronisch versterkte muziek van Cole Porter en Bartók begeleidde de handeling. Een van de toeschouwers van die avond hoorde ik zeggen: ,,Diever is te professioneel geworden.'' Inderdaad, de on-Dieverse voorstelling rechtvaardigde deze opmerking. Het was of Amsterdam, net als in Van Dalsums tijd, opnieuw heel dicht bij Diever was gekomen.

Met het aantreden van de Groninger regisseur Jack Nieborg in 2000 beleefden de zomerspelen een nieuwe wending. In 2002 verborg hij in een uitvoering van Cymbeline de romantische achtergrond van bos, struiken, prieel en rotspartij achter een monumentale trap. Nieborg brak rigide met de aloude Dieverse stijl, waarin het realisme overheerste. De trap zorgde voor een grote mate van abstractie. Er zaten schitterende visuele vondsten in, bijvoorbeeld het bloed dat opeens vanaf de bovenste treden naar beneden stroomde, of de glimmend ijzeren bal uit het jeu de boules die op ingenieuze manier omlaag rolde, niet te snel, niet te langzaam, als een sprekend symbool van de grilligheid van de menselijke lotgevallen.

Jack Nieborg beschouwt Timon van Athene als `een echt stuk voor mannen'. De schaarse vrouwenrollen zijn weggelegd voor twee hoertjes en twee danseressen, en die laat hij weg om de eenvoudige reden dat het rond 1600 ook zo geweest moet zijn. Nieborg heeft zojuist een aantal scènes met de vierentwintig spelers doorgenomen, allemaal mannen in grijs kostuum met een knalrode stropdas. Het zijn, zoals Nieborg zegt, `hypotheekverstrekkertjes anno 2000 die leven in de wereld van het geld, de zakendoenerij en het bankwezen'. De aanvankelijk steenrijke Timon wordt omringd door flikflooiende vleiers die alleen op zijn geld belust zijn. Het materialisme viert hoogtij. Voor het decor heeft Nieborg een ingenieuze constructie bedacht: die moet een reusachtige weegschaal voorstellen, alsof de personages geldstukken zijn. ,,Het stuk staat te boek als een mindere Shakespeare'', zegt Nieborg, ,,een matige variant op King Lear. Daar ben ik het niet mee eens. Timon raakt verbitterd door zijn vrienden die zich ontpoppen als bikkelharde schuldeisers. Ze denken in geld, spelen spelletjes met geld en keren Timon de rug toe wanneer hij opeens berooid raakt. Het thema is dat van de ondankbaarheid. Net als koning Lear vervloekt Timon de mensheid, hij zit eenzaam als Job op een soort mestvaalt en is doortrokken van verbittering en misantropie. Hij trekt zich terug uit de wereld in zijn spelonk.''

Hypotheekkostuums

Over de muisgrijze `hypotheekkostuums', zoals Nieborg het noemt, dragen de mannen weelderige pronkmantels, als om de verslaving aan uiterlijke schijn te benadrukken. De kale speelvloer van houten planken, gemonteerd op wielen als een middeleeuws wagenspel, doet denken aan het eigen theater van Shakespeare in Londen, The Globe. Nieborg heeft het stuk zelf vertaald en bewerkt. Hij komt tot verrassende taalvondsten, zoals deze over de lichtekooien die hem omringen: ,,Jonge meisjes hebben korte lontjes.''

Het stuk kent een aantal belangrijke uitvoeringen, onder meer in de regies van de Engelsman Peter Brook in de jaren zeventig, Pierre Audi bij Toneelgroep Amsterdam in 1995 en recentelijk als Tim van Athene in de bewerking van Gerardjan Rijnders. Deze laatste benadrukte vooral de glorie en het verval van de hoofdpersoon, wufte weelde en angstaanjagende aftakeling.

Er rest Timon aan het slot niets anders dan de zelfgekozen dood. Iedereen heeft hem in de steek gelaten. Nieborg wil dat er een grote stilte valt, een ontroerende verstilling aan het slot waarin misschien slechts het geruis van de Dieverse bomen is te horen. Timon zegt: ,,De taal valt stil, er zijn geen woorden meer./ Ziekte, daal over dit land, los alle gebreken op./ Ieder graaft zijn eigen graf, sterven is ons doel./ Zon, verberg je stralen. Het hoeft niet meer./ Timon houdt op.''

Die laatste zin biedt een fraaie theatrale dubbelzinnigheid. De tekst suggereert zowel Timons zelfmoord als zijn einde als toneelspeler. Timon heeft geen vrienden meer, sterker: hij heeft ze nooit gehad. Zijn verbittering komt voort uit zinsbegoocheling en een beoordelingsfout: hij had niemand ooit zijn vertrouwen én zijn geld moeten schenken.

Timon van Athene. T/m 11/9 in het Openluchttheater Diever. Première 13/8 om 21u. Inl: 0521-591748 of 0521-59167; www.shakespearetheaterdiever.nl. De vertaling verschijnt bij Uitgeverij Passage, Groningen.Van de tweeduizend inwoners doet tien procent mee

Hele Dieverse gezinnen zijn opgegroeid met Shakespeare