Het heftig flakkeren der theelichtjes

Hoezo alleen dominees en kooplieden? Nederland herbergde in eerdere eeuwen honderden nieuwsgierige filosofen. Een peperdure nieuwe encyclopedie presenteert de vaderlandse vrijdenkers die nadachten over de wereld, de Openbaring, het staatsbestel, de planeten en de structuur van het menselijk bloed.

Aan het slot van zijn Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw maakte Johan Huizinga de balans op. `Als ons bloeitijdperk een naam moet hebben', merkte hij op, `laat het dan zijn naar hout en staal, pik en teer, verf en inkt, durf en vroomheid, geest en fantasie'. Het waren de doeners, de bouwers, de ondernemers, die die eeuw geschapen hadden, vandaar die praktische naar havens en pakhuizen riekende kwalificaties.

Wie de tweedelige Dictionary of Dutch Philosophers of the seventeenth and eighteenth century in de hand neemt staat dan ook raar te kijken. Hier lijkt Huizinga's typering geheel omgedraaid. Hier staan op 1.100 bladzijden niet de doeners, maar de denkers op het podium: 365 in totaal. Niets koopmanschap en scheepsbouw, hier worden mannen (en enkele vrouwen) gepresenteerd die zich gebogen hebben over de mens en zijn plaats op aarde, over de werkzaamheden van God, over religieuze tolerantie, ethiek en staatsrecht, dromend over geëmancipeerde samenlevingen, maar ook – en daar komen de praktische ogen en handen toch om de hoek kijken –, over de bloedsomloop, de zwaartekracht en de banen der planeten. Het soort mensen aan wie Jonathan Israel in 2001 zijn Radical Enlightenment heeft gewijd. Daarin laat hij de Verlichting al in de zeventiende eeuw beginnen en wel bij de denkers die leefden en publiceerden op Nederlands grondgebied (zie Boeken, 23-02-2001). De moderne filosofie, zo stelt het voorwoord van de Dictionary niet ten onrechte, is hier geboren. Descartes publiceerde zijn Discours de la Méthode in 1637 in Leiden, Spinoza's Opera posthuma verscheen in 1677 in Amsterdam.

De mensen die zijn samengebracht in deze prachtige, nuttige, maar ook zeer prijzige encyclopedie – een initiatief van filosofen en historici verbonden aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam – waren zelden beroepsfilosoof. Ook waren het lang niet allemaal academici. Er zijn veel theologen en predikanten vertegenwoordigd, maar ook classici. Daarnaast zijn er nogal wat vrije beroepen, als artsen, advocaten, journalisten, gelegenheidsschrijvers, pamflettisten en kleine middenstanders.

Opvallend is hun veelzijdigheid. Er zijn predikanten die zich met sterrenkunde bezighielden, apothekers die insecten ontleedden en kruideniers die bespiegelingen schreven over verdraagzaamheid. Van dat soort nieuwsgierige lieden wemelt het in dit boek. Wie kent de Amsterdamse kousenverkoper Piet Bakker, een voorvechter van de godsdienstvrijheid en auteur van een van de eerste deïstische traktaten in Nederland. Of de spinozist Hadriaan Beverland, samensteller van een erotische encyclopedie? De meesten zijn vergeten; wie leest nog Johannes Epinus Huninga, of Ladislaus Chernac? Aan de andere kant: van velen zijn de namen wel degelijk bekend, omdat ze tot de wijsgerige canon worden gerekend (Descartes, Spinoza, Christiaan Huygens) of omdat ten minste een straat, school of ziekenhuis naar hen is vernoemd (Swammerdam, Van Leeuwenhoek, Boerhaave). Sommigen danken hun faam aan iets heel anders dan filosofie. De arts Cornelis Bontekoe schreef een bekend traktaat over de heilzame werking van thee, maar blijkt ook over emoties en ethiek te hebben gepubliceerd. Hiëronymus van Alphen deed meer dan kinderversjes schrijven: hij was ook een vruchtbaar auteur op het gebied van de esthetica.

Maar hoe Nederlands waren ze eigenlijk? Want niet alleen het woord `filosoof' wordt hier ruim opgevat (eigenlijk zijn het `radicale' of `vernieuwende' denkers), ook het `Dutch' moet je ruim zien. Veel van die 365 mannen en vrouwen waren niet afkomstig uit Nederland, maar hebben hier gewoond en gepubliceerd. Er zijn opvallend veel Fransen bij, vaak op de vlucht voor religieuze maatregelen van de overheid. De sceptische hoogleraar, journalist, criticus en encyclopedist Pierre Bayle (1647-1706) is de bekendste. René Descartes was hen al voorgegaan. Ook de Duitsers zijn goed vertegenwoordigd. De Dertigjarige Oorlog en de aantrekkingskracht van de Nederlandse universiteiten hebben hen hierheen gehaald. Van de Engelsen is John Locke de bekendste, Linnaeus kwam uit Zweden, Daniel Fahrenheit uit Polen. Ook doordat de samenstellers lemmata opgenomen hebben met de belangrijkste uitgevers en met intellectuele tijdschriften, waarvan Bayles Nouvelles de la République des Lettres het meest invloedrijke is geweest, wordt nog eens duidelijk wat een groot intellectueel netwerk over Europa gespannen lag.

Waarover dachten zij zoal? Voor een groot deel waren hun kwesties van religieuze aard, maar ook de politieke denkers hebben hun plaats gekregen, Hugo de Groot voorop. We lezen over utopisten als de zeventiende-eeuwse Zeeuw Pieter Plockhoy, stichter van een democratische kolonie aan de Delaware, over Jacques Basnages die een pleidooi hield voor gelijkberechtiging van de joden, en over de laat achttiende-eeuwse Delftse plateelbakker, Gerrit Paape, die een utopie van 1998 schreef, De Bataafsche Republiek (heruitgegeven in 1998), waarin alle mensen gelijk waren en de vrouw volledig was geëmancipeerd.

Men nam in het algemeen afstand van het aristotelische denken dat lang de Europese wetenschap had beheerst, met haar geordende kosmologie vol streven naar doelmatigheid, en verruilde dat onder invloed van Copernicus, Descartes en systematische observaties door een modernere, meer materialistische kijk op de wereld, zowel in het klein (door de microscopisten) als in het groot (de systematische waarneming van de hemellichamen). We zien hoe de wiskunde, de optica, de mechanica zich ontwikkelen. We lezen over de populariteit in Nederland van de fysico-theologie (de leer die de natuurwetten en de veelvormigheid van de natuur als bewijs opvatte van de grootsheid van de schepper) tot en met de introductie van het denken van Kant door de Amsterdamse advocaat Johannes Kinker. Ook de achttiende-eeuwse esthetica is goed bedeeld.

Het geloof nam in de wijsgerige debatten een grote plaats in, zowel binnen als buiten de gereformeerde kerk. Voor een groot deel ging het over de juiste interpretatie van de Schrift, over de geloofsregels, over predestinatie en het kwaad in de wereld. Een minderheid krabde aan de fundamenten van het geloof. Dat waren de werkelijk radicale denkers, zoals Jonathan Israel ze beschreef.

Aan hen en hun verhouding tot de gereformeerde kerk is de recente studie The March of the Libertines van Michiel Wielema gewijd, een van de samenstellers van de Dictionary. Hij gaat in op denkers die binnen de kerk hun twijfel over de openbaring uitten, kritiek hadden op de bijbelvertaling en vraagtekens stelden bij de Heidelberger catechismus. Wie binnen de kerk bleef kon door zijn kritische denkbeelden disciplinair worden gestraft. Maar de gewetensvrijheid liet een ieder vrij buiten de kerk te leven.

Toch zal ook daar niemand de meest radicale stap hebben genomen en zich openlijk tot atheïst hebben verklaard. Dat was te gevaarlijk. Het waren namelijk niet de grenzen van het denkbare waar ze tegenop liepen, maar de grenzen van het publiceerbare – zelfs in het tolerante Nederland. Het was in de eerste plaats de kerk, niet de overheid die ingreep. Adriaen Koerbagh, een man uit de kring van Spinoza, publiceerde tegen bijgeloof en openbaring, trok de autoriteit van de kerk in twijfel en analyseerde het irrationele van het geloof. Repercussies konden niet uitblijven. Zijn boeken werden geconfisqueerd en vernietigd, hijzelf werd gearresteerd, kreeg tien jaar tuchthuis en een hoge geldboete. Binnen een jaar stierf hij in de gevangenis.

Jonathan Israels Radical Enlightenment, de Dictionary en Wielema's boek maken door nieuw onderzoek duidelijk wat een merkwaardige bijenkorf van moderne ideeën de Republiek is geweest. Omdat de radicale denkers omzichtig te werk moesten gaan is het bronnenmateriaal schaars. Vele dwarse ideeën zijn nooit opgeschreven. En wat er aan handschriften en drukwerk over is, is eveneens schaars en wordt nu pas herontdekt. Daarom is deze originele kant van de Nederlandse cultuur zo lang onzichtbaar gebleven. Ook voor Huizinga.

Wiep van Bunge, Henri Krop e.a.: The Dictionary of Seventeenth and Eighteenth-Century Dutch Philosophers. Twee delen. Thoemmes Press, 1.116 blz. blz. €572,25

Michiel Wielema: The March of the Libertines. Spinozists and the Dutch Reformed Church (1660-750) Verloren, 221 blz. €22,–