Help, de staat verdampt! (Gerectificeerd)

Wat bindt de Belgen? In nieuwe studies zoeken historici en journalisten naar een antwoord. De meeste Belgen voelen zich wel bij een meervoudige identiteit: Vlaming of Waal èn Belg. Tóch is er nog genoeg reden voor ongerustheid.

In de jaren negentig van de vorige eeuw startte het Tropeninstituut in Amsterdam een cursus over België. Vooral bij zakenlieden bleek daaraan behoefte te bestaan. Een van de cursisten die zich aanmeldden was een Nederlander met een metaalbedrijf in de buurt van Mechelen. Om zijn werknemers meer bij het werk te betrekken voerde hij inspraak in. Hij zei dat zijn deur altijd open stond en dat hij graag wilde horen hoe het in de onderneming beter kon. Niet één keer maakte een van z'n Vlaamse werknemers van dat aanbod gebruik. Sommigen namen zelfs ontslag. Hoe kon dat? De ondernemer had de psychologie van de Vlaming niet goed begrepen. Zijn medewerkers zagen de inspraak als een zwaktebod. Hun baas wist het kennelijk niet zo goed meer, het ging zeker slecht met z'n bedrijf. Dan kon je maar beter naar een andere baan uitkijken.

Misverstanden tussen Nederlanders en Belgen dateren al van langer. Koning Willem I werd in 1830 verrast door de brede gevoelens van aversie tegen zijn bewind in het zuiden. Wat in het noorden als `muiterij' werd afgedaan, bleek de klaroenstoot voor de geboorte van België. Een monsterverbond van liberalen en katholieken was ontstaan uit een cocktail van ongenoegen, dat de autoritaire Nederlandse koning zelf had opgewekt. Grootgrondbezitters verlangden terug naar hun feodale privileges en klaagden over hoge belastingen. Bemoeienissen van Willem I met onderwijs en priesteropleiding hadden bij katholieken kwaad bloed gezet. Om vorming van één natie te bevorderen had de vorst het Nederlands tot officiële taal gemaakt, waarmee hij zich de ergernis van de francofone elite op de hals haalde.

De liberale burgerij zag in hem een despoot, die het streven naar vrijheid frustreerde. Boeren en ambachtslieden ageerden ook tegen het beleid van de Nederlandse vorst om de industrie vooruit te helpen. Bovendien hadden de zuidelijke Nederlanden, ondanks een numeriek overwicht van vier miljoen tegen twee miljoen inwoners, slechts de helft van de zetels in de Staten-Generaal. Ook dat voedde het ressentiment. Al in de jaren 1820 werd de koning bestookt met petitionnementen, waarvoor adel en clerus honderdduizenden handtekeningen op het platteland hadden verzameld. Ook arme Vlaamse drommels zetten door sociale druk of intimidatie hun handtekening, al konden ze van de opgeëiste vrijheid van pers, onderwijs en Franse taal zelf geen gebruik maken.

`Koning Willem slaagde er niet in het Belgische verzet correct in te schatten', concludeert historicus en journalist Marc Reynebeau in Een geschiedenis van België onderkoeld. De misverstanden tussen noord en zuid duren tot vandaag voort. De onlangs vertrokken Nederlandse ambassadeur, Toine van Dongen, kreeg geregeld de vraag of een ambassade in België wel nodig was.

De geschiedenis van noord en zuid loopt al vanaf 1585 uiteen, met de val van Antwerpen na het Spaanse beleg. Vele zuiderlingen vluchtten naar het noorden, dat zo het economische en culturele potentieel zag vergroot. Terwijl de Nederlandse republiek in de zeventiende eeuw aan een ongekende bloeiperiode begon, ging Vlaanderen na de bloei in de Middeleeuwen in hoog tempo achteruit. Waar het noorden als zelfstandige handelsnatie een ruime blik op de buitenwereld kreeg, raakte het zuiden geïsoleerd.

Reynebeau begint zijn geschiedenis in 1830, het jaar van de revolte tegen het Nederlandse regime. België wordt, ook door Belgen zelf, met enige spot wel het resultaat van toeval genoemd. Reynebeau meent echter dat het land `als product van zijn geschiedenis niet meer of minder een artificiële constructie dan gelijk welke andere staat is.' Het ontstaan van België mocht dan niet direct zo zijn bedoeld, in de gegeven omstandigheden kon het niet anders. De logica van het ontstaan lag ook in het feit dat België als buffer tussen continentale grote mogendheden diende. Voor Groot-Brittannië was het ondenkbaar dat België in handen van Frankrijk zou vallen. Maar er was veel meer.

Historicus E.H. Kossmann wees een kwart eeuw geleden in zijn schitterende, onovertroffen magnum opus De Lage Landen 1780-1980. Twee eeuwen Nederland en België al op de sterke politieke krachten achter de Belgische economische expansie. Hij sprak van de afscheiding als `het triomfantelijke resultaat van de al decennia lang gevoelde en gepropageerde trots op de scheppingskracht van het jonge en stoutmoedige Belgische volk'. De elite achter de Belgische onafhankelijkheid maakte economische ontwikkeling tot absolute prioriteit, `alsof het romantisch nationalisme [...] zich slechts in de economische sfeer volledig ontplooide'. Het liberalisme in België was volgens Kossmann veel meer `nationalistisch en materialistisch' dan in Nederland. Met kolen en ijzer in Wallonië, dat in 1810 al de meest geïndustrialiseerde regio van het Europese continent was, konden de stuwende krachten achter de onafhankelijkheid hun economische droom verwezenlijken.

Reynebeau besteedt terecht veel aandacht aan de aanleg van het uitgebreide spoorwegnet. Hij overdrijft dan ook niet wanneer hij de uitbouw van de spoorwegen een `tweede onafhankelijkheidsverklaring' noemt. Nederland gaf veeleer prioriteit aan de trager verlopende aanleg van kanalen. De Belgische spoorwegen waren niet alleen economisch zeer belangrijk. Met oog voor detail schetst Reynebeau ook de sociologische betekenis: `Het was het eerste tastbare netwerk dat het hele land en zijn bevolking in contact bracht en bijgevolg ook de oude beslotenheid en autarkie openbrak.' Vooral in het achtergebleven Vlaanderen waren de vele dorpen gesloten samenlevingen, waar de invloed van de katholieke kerk zeer dominant was. De pastoor bezag de ontwikkeling van het spoor met argwaan. De stationchef was in veel dorpen de eerste liberaal.

In economisch opzicht brachten de spoorwegen alleen in Wallonië vooruitgang. Terwijl de Waalse kolen- en ijzerindustrie verder opbloeiden, werd Vlaanderen in armoede gedompeld. Bijna driehonderdduizend vlasspinners en linnenwevers – een derde van de werkende bevolking – konden in de tweede helft van de negentiende eeuw door achterlijke productiemethoden niet meer concurreren met de mechanisch bewerkte en modieuze weefsels uit Engeland.

Door de uitlopende economische ontwikkeling werden eind negentiende eeuw ook de eerste barsten in België zichtbaar: dorp en stad, geloof en ongeloof, Vlaams en Franstalig. Tegenover een katholiek en behoudend Vlaanderen stond een vrijzinnig en sociaal progressief Wallonië. `Het verschil lag in de accenten', aldus Reynebeau. `Maar ze zouden hun effect op het lot van de Belgische staat niet missen.' Kossmann zei het een kwart eeuw eerder nog wat pregnanter: `Vlaming en Waal waren niet meer zoals in het begin der eeuw slechts draden in het grote weefsel, ze werden onbeweeglijke elementen van een goed georganiseerde politiek en levensbeschouwing.'

Wie de intrigerende ontwikkeling van Wallonië in kort bestek wil beschouwen kan terecht bij Afscheid van Magritte. Het oude en nieuwe Wallonië van de Vlaamse journalist Guido Fonteyn. Al in de jaren 1850-1860 kwam een eerst immigratiegolf uit Vlaanderen op gang. Ook waren er duizenden Vlaamse pendelaars die in de Waalse industrie werk vonden. Vooral deze laatsten werden door de Waalse arbeiders op de korrel genomen, omdat zij ontsnapten aan de vakbonden en onder invloed bleven van conservatieve Vlaamse pastoors. De weinig geschoolde Vlamingen werden vaak met arrogantie bejegend.

Fonteyn veronderstelt dat de permanente kritiek op de Flaminds hen ertoe aanzette hun integratie in Wallonië te bespoedigen. De Vlaamse immigratie sloeg dus geen brug tussen Vlaanderen en Wallonië. De Vlamingen werden na twee generaties gewoon Walen. De huidige Waalse minister-president, Jean-Claude van Cauwenberghe, immigrant van de derde generatie, spreekt zelfs nauwelijks Nederlands.

Over het `nieuwe' Wallonië komen we bij Fonteyn nog weinig te weten, waarschijnlijk omdat hij zelf ook nog niet goed weet hoe de regio zich zal ontworstelen aan de ineenstorting van de oude kolen- en staalindustrie. Al ziet hij al wel bemoedigende signalen van politieke, economische en culturele vernieuwing. Zijn analyse is vaker gemaakt: de in Brussel zetelende, intellectueel luie, financiers van de Waalse kolen- en staalindustrie – met de nog door Willem I opgerichte Generale Maatschappij voorop – deden niets om alternatieve economische activiteiten te ontwikkelen. De economische neergang was in de jaren zestig van de twintigste eeuw een doorslaggevend motief voor de Waalse beweging van de vermaarde vakbondsleider André Renard bij het streven naar de federalisering van België. Die drang kwam dus niet alleen van Vlaanderen met z'n taalstrijd. In Wallonië geloofde niemand nog dat een Belgische regering met overwegend Vlamingen haar best zou doen om de regio er weer bovenop te helpen. Vlaanderen is nu rijk en Wallonië relatief arm.

De auteur beschrijft ook de cliché-beelden die Vlamingen en Walen van elkaar hebben. Hij komt ze tegen in cafés en werkplaatsen die hij bezoekt. Vlamingen zijn volgens Walen werklustig, gehecht aan eigen bodem en behept met een minderwaardigheidscomplex. Walen zijn volgens Vlamingen welbespraakt en spontaan, maar ook pretentieus en arrogant. Fonteyn volgde Wallonië vele jaren voor De Standaard als een soort buitenland-correspondent. Dat zegt trouwens wel iets over het huidige België: het gemeenschappelijke publieke domein van Vlamingen en Franstaligen wordt kleiner. Maar Fonteyns aanpak is vruchtbaar, want de waarneming blijft scherp.

Die scherpe waarneming is ook in de praktijk gebracht door journalist Filip Rogiers van dagblad De Morgen in het boek Buurtpatrouille. Hoe Vlaanderen aan een nieuwe eeuw begint, en door oud-journalist Derk-Jan Eppink in Avonturen van een Nederbelg. Een Nederlander ontdekt België. Eerder schreef de laatste al Vreemde buren. Over politiek in Nederland en België. Eppink verruilde tien jaar geleden NRC Handelsblad voor De Standaard, bleef in België hangen, en is nu medewerker van eurocommissaris Bolkestein. Zijn boek gaat vooral over Vlamingen. Hoe wonen ze, hoe bedrijven ze politiek, hoe eten ze? Zijn Bomansachtige notities zijn spits en vermakelijk. Als Achterhoeker heeft hij het grote voordeel dat hij in `Holland' al met frisse blik om zich heen kon kijken. Als docent aan het Amsterdamse Tropeninstituut (`België is niet tropisch van buiten, maar van binnen', zegt Eppink) mocht hij de Nederlandse ondernemer met het metaalbedrijf bij Mechelen uitleggen hoe het beste met z'n werknemers om te gaan. Vlamingen en Walen zijn gevoeliger voor hiërarchie.

Aan dat cultuurverschil (`machtsafstand') refereerde sociaal-antropoloog Geert Hofstede al in zijn Allemaal andersdenkenden (1991). Maar achter de rug van de autoriteiten gaan Belgen toch graag hun eigen gang. Vooral Vlamingen hebben vanuit hun vroegere ontvoogdingsstrijd een achterdocht tegen iedere autoriteit ontwikkeld. Het verklaart waarom ze enerzijds hervormingen willen om de overheid slagvaardiger te maken, zoals na de Dutroux-affaire, maar anderzijds ook een overheid wensen waarmee valt te sjoemelen. In dit verband doet Eppink nog een aardige observatie. Een Nederlandse politicus woont gewoonlijk in een rijtjeshuis, want anders wordt hij als een zakkenvuller gezien. In België is het andersom: als een politicus in een rijtjeshuis woont, denken mensen dat hij niks voor zichzelf en dus niks voor hen kan regelen. Cliëntelisme? Na een bezoek thuis bij Kamervoorzitter en burgemeester Herman de Croo, die duizenden dossiers van hulpvragende burgers van zijn gemeente Brakel in z'n kelder bewaart, denkt Eppink er genuanceerder over. De politiek moest toch dichter bij de burger? In Nederland komt de gekozen burgemeester eraan.

Journalist Rogiers deed wat sinds de Fortuyn-revolte in de Nederlandse journalistiek in zwang is geraakt: ga naar plekken waar gewone mensen naast elkaar leven en waar `niets' gebeurt. Na een tocht van 15.000 kilometer en gesprekken met bewoners in plaatsen als Eeklo, Roeselare, Aarschot, De Pinte, Heist-op-den Berg, Lier en Kruishoutem ontstaat zo een caleidoscopisch beeld van het alledaagse leven. `Nergens leerde ik meer over Vlaanderen dan op plaatsen waar ``niets' gebeurde', schrijft Rogiers. Hij komt natuurlijk ook de verzuurde Vlamingen tegen, die geneigd zijn op het extreem-rechtse Vlaams Blok te stemmen. Het zijn deze Vlamingen waarover schrijver Tom Lanoye, bij de voltooiing van zijn romantrilogie over de Belgische affaires, zei dat ze `littekens, geen geheugen' hebben. Maar de meeste Vlamingen zijn volgens de interessante observaties van Rogier – eerder auteur van Eigen schuld eerst over extreem-rechts – `niet apolitiek of antipolitiek'. Ze hebben zelfs `begrip voor de beperkingen van de politiek'.

Je kunt je al met al afvragen of Vlaanderen c.q. België nog wel zoveel van Nederland (en andere Europese landen) verschilt. Onzekere en angstige burgers, die op verkiezingsdagen heel wispelturig blijken, zijn een algemeen fenomeen. En Nederland heeft intussen ook z'n portie affaires, van bouwfraude tot Ahold, en zelfs z'n politieke moord. De `witte' mars ten tijde van de Dutroux-affaire van 1995 is door menigeen al geïnterpreteerd als België's eigen Fortuyn-revolte. De mars bracht een eerder weinig gepolitiseerd bevolkingsdeel in beweging. Ook Reynebeau, die meer uitblinkt in de scherpe analyse dan in de mooie beschrijving, ziet de `witte' mars in breder verband. De parallel kan nog wat worden doorgetrokken. Vlaanderen beleefde onlangs bij de regionale verkiezingen z'n eigen `Balkenende-effect'. Het electoraat koos, in deze woelige tijden, voor de oerdegelijke maar saaie christen-democraat Yves Leterme, die sinds enkele weken minister-president van Vlaanderen is. België c.q. Vlaanderen is minder bijzonder dan het op het eerste gezicht lijkt.

Maar België blijft wel het enige Europese land waarover historicus Reynebeau – met een variant op Amalriks Haalt de Sovjet-Unie 1984? – met recht de vraag kan stellen of het 2084 haalt. Want hoe moet dat in een land waar Vlamingen en Franstaligen elkaars kranten niet lezen, elkaars radiostations niet beluisteren, elkaars televisiezenders niet zien en ook niet op elkaars politieke partijen kunnen stemmen? Publicist Leen Huet lijkt in zijn onlangs verschenen Mijn België een poging te doen de Belgen een collectief geheugen te schoppen. Maar dat is om hierboven genoemde redenen geen sinecure. In ruim driehonderd mooi geschreven, alfabetisch geordende lemma's schrijft hij over gebeurtenissen, plekken en mensen van het België van vroeger tot aan zijn eigen kindertijd van dertig jaar terug. Over het Atomium, Pieter Bruegel de Oude, Hendrik Conscience (van de Vlaamse leeuw), de duivenmelker, Justine Henin, kapitein Haddock, Victor Hugo (die kort in België woonde), Jacky Ickx, Martial van Schelle (sport- en verzetsheld), Rubens, Tijl Uilenspiegel en de Belgische vlag. De schrijver probeert op een indirecte manier te formuleren wat belgitude – een vloek voor Vlaams-nationalisten – in de 21ste eeuw nog kan betekenen. Het is soms zwijmelen in nostalgie, maar toch ook meer.

Historicus Kossmann stelde in De Lage Landen vast dat de Belgische natiestaat het door interne tegenstellingen niet langer dan een eeuw uithield, maar dat de Belgische staat niettemin duidelijk aanwezig bleef. Zo overleefde België tegenstellingen over Vlaamse collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog en de koningskwestie, waarbij Leopold III wegens zijn pro-Duitse houding moest terugtreden ten gunste van zijn zoon Boudewijn. `In tegenstelling tot wat de nationalistisch denkende negentiende-eeuwers meenden, is het ook in de moderne tijd blijkbaar mogelijk dat een staat die geen nationale samenhang meer kan tonen, zich handhaaft', schreef Kossmann in zijn standaardwerk. Dat was wél het geval vóór het uiteenvallen van Joegoslavië. En inmiddels bestaat ook Tsjechoslowakije niet meer. De Belgische historicus H. Pirenne deed in zijn klassieke Histoire de Belgique (1900) nog pogingen uit eeuwen geschiedenis een soort Belgisch volkskarakter te construeren, dat het beste van de Romaanse en Duitse beschaving zou verenigen. Kossmann hekelt terecht zulke vaste typeringen van natie of cultuur. Hij ziet veeleer opeenvolgende generaties in de Lage Landen, die telkens weer hun specifieke problemen moesten oplossen. Deze gedachte zou in elk geval tot voorzichtigheid moeten manen bij al degenen die vergaande conclusies willen trekken over cultuurverschillen tussen Vlaming, Waal en Nederlander. Misschien kan een Waalse economische wederopstanding de meeste Belgische spanningen wegnemen. Want, zoals Reynebeau vaststelt, het belangrijkste breekijzer in België was de uiteenlopende economische ontwikkeling.

Reynebeau houdt het erop dat de huidige federale structuur van de Belgische staat goed aansluit bij de identiteitsgevoelens van de meerderheid. Uit onderzoek blijkt steeds weer dat de meeste burgers zich niet alleen Vlaming of Waal, maar ook Belg voelen. Een meervoudige identiteit dus. De staat kon zich handhaven door inventieve akkoorden over federalisering van het bestuur. Toch zit België volgens Reynebeau aan het begin van de 21ste eeuw `wel degelijk in een lastig parket'. Communautaire onderhandelingen krijgen al snel een vijandig karakter, omdat België slechts twee grote gemeenschappen heeft. Bovendien heeft België in tegenstelling tot andere federale staten geen nationale politieke partijen meer. Er zijn alleen nog regionale partijen, waardoor steeds meer de neiging ontstaat regionale eisen te stellen. In Vlaanderen gaan nu stemmen op de sociale zekerheid te splitsen, waardoor de solidariteit met het armere Wallonië in het geding komt. De staat zou kunnen verdampen voor men er erg in heeft.

De meervoudige identiteit van zijn bewoners kan wel eens de redding van België blijken. Een voorbeeld misschien ook voor andere landen. Reynebeau vergelijkt deze identiteit met lasagne, dat uit diverse lagen bestaat. En wie houdt er niet van lasagne?

Derk-Jan Eppink: Avonturen van een Nederbelg. Een Nederlander ontdekt België. Lannoo, 246 blz. €18,95

Guido Fonteyn: Afscheid van Magritte. Over het oude en nieuwe Wallonië. Meulenhoff/Manteau, 205 blz. €16,95

Leen Huet: Mijn België. Atlas, 365 blz. €19,90

Marc Reynebeau: Een geschiedenis van België. Lannoo, 448 blz. €29,95

Filip Rogiers: Buurtpatrouille. Hoe Vlaanderen aan een nieuwe eeuw begint. Meulenhoff/Manteau, 293 blz. €17,95

Rectificatie

Correctie

In de bespreking van vijf boeken over België (Boeken, 06.08.04) werd de Vlaamse schrijfster Leen Huet abusievelijk opgevoerd als een man.

De redactie