`Grote grazers funest voor kwetsbare planten'

Grote grazers veroveren terrein in Nederland omdat begrazing goedkoper is dan maaien. Maar kwetsbare planten zoals het zinkviooltje en het zomerklokje worden erdoor bedreigd.

De inzet van grote grazers in natuurterreinen ter vergroting van de biodiversiteit pakt verkeerd uit voor veel bedreigde plantensoorten. Van de 499 soorten die op de Rode lijst staan, worden 122 soorten door begrazing geschaad.

Dat zegt dr. Ruud van de Meijden van het Rijksherbarium in Leiden. Van der Meijden is de bewerker van Heukels' Flora, de wetenschappelijke veldgids van de flora van Nederland. Sinds de jaren tachtig zijn veel natuurbeheerders voor het onderhoud van hun terreinen van het traditionele maaien en plaggen overgegaan op grote grazers: Heckrunderen, paarden, Schotse Hooglanders, koniks of gewoon jongvee dat nog niet gemolken wordt. Het idee erachter, gepropageerd door dr. Frans Vera die gepromoveerd is op natuurlijke terreintypen, is dat grazers structuur aan het terrein aanbrengen doordat ze selectief vreten: er ontstaan, anders dan bij maaien en plaggen, natuurlijke paadjes, kortbegraasde weitjes en verruigde delen. In die bonte schakering van terreintypen zou de natuur beter tot zijn recht komen. Na enige aarzeling heeft zijn idee op grote schaal navolging gekregen – niet in de laatste plaats omdat grote grazers een stuk goedkoper zijn dan de loonwerkers die het maaien en plaggen uitvoerden.

,,Maar na een jaar of vijftien zie ik op veel plaatsen een ware catastrofe'', zegt Van der Meijden. ,,In Voornes Duin, een van de belangrijkste natuurgebieden voor onze Nederlandse flora, is nu een ware kaalslag gaande. Neem het Vliegveldje, een weide die ooit als vliegveld dienstgedaan heeft. Dat stond vroeger vol met tienduizenden Vleeskleurige orchissen. Dat zijn echt zeldzame planten. Dit voorjaar stonden er welgeteld zeven.'' Van der Meijden weet zeker dat dit aan beweiding te wijten is – in dit geval door paarden – omdat in een vergelijkbare natuurweide, de Schapenweide, afgelopen jaren niets veranderd is, en die wordt niet begraasd.

Het heeft enige tijd geduurd voordat Van der Meijden in de gaten kreeg wat er aan de hand was: ,,Je ziet vaak foto's van Schotse Hooglanders of Heckrunderen in een weitje met orchideeën en je krijgt het gevoel: dit is natuur, dit zit wel goed, kennelijk kunnen die orchideeën de begrazing wel aan. Maar zo is het helemaal niet. In het vroege voorjaar, als de orchideeën uitlopen, worden de jonge kiemplantjes selectief opgevreten door de hongerige grazers. Later in het jaar, als de orchideeën bloeien, lusten de grazers ze niet meer.''

Een van de plantjes die sterk te lijden hebben van begrazing is volgens Van der Meijden het zinkviooltje in Limburg, een plantje dat alleen leeft op gronden met een hoog zinkgehalte, en dat vrijwel verdwenen is. En ook het zomerklokje, een rivierbegeleidend plantje van natte gronden, is gedecimeerd. Trilgras of `Bevertjes' wordt bedreigd, de wilde kievitsbloem (niet de tuincultivar) wordt weggegeten, de parnassia – die net aan een comeback bezig was – verdwijnt masaal waar gegraasd wordt. En op de heide heeft de jeneverbes het moeilijk gekregen, omdat hij er niet in slaagt zich te verjongen.

Maar de heide werd toch altijd al door schapen begraasd? Van der Meijden: ,,Maar niet het jaar rond! Dat is het grote verschil met vroeger. Het is juist de jaarrondbegrazing die catastrofaal uitpakt. Als in het vroege voorjaar de kiemplantjes uitlopen, juist dan zijn sommige wilde planten kwetsbaar. Wanneer, zoals vroeger, de schapen in het voorjaar nog op stal worden gehouden, dan is er niets aan de hand. Hetzelfde geldt voor andere grazers in natuurterreinen. Maar dat gebeurt niet, men zet winterharde dieren in, die desnoods met bijvoedering de winter doorkomen. En die in het voorjaar op zoek gaan naar de eerste kiemplantjes.''

Niet alle natuurbeheerders zetten op grote schaal grazers in. Natuurmonumenten loopt voorop, dan volgen de twaalf provinciale Landschappen (Zuid-Hollands Landschap, Gelders Landschap etc.), terwijl Staatsbosbeheer zeer terughoudend is met begrazing: alleen de Oostvaardersplassen worden begraasd. Van der Meijden: ,,Bijna de helft van alle natuurterreinen wordt nu begraasd. En van wetenschappelijke begeleiding is nauwelijks sprake. Sinds beheerders in de gaten kregen dat grazers heel goedkoop zijn, is het roer om.''

Veel terreinen werden indertijd door natuurorganisaties verworven om de toekomst van sommige bedreigde plantensoorten veilig te stellen. Met vallen en opstaan werd per plantensoort en per terreintype een beleid ontwikkeld om de soorten veilig te stellen. Van der Meijden: ,,En nu gaat het ineens een heel andere kant op, veel planten worden ernstig bedreigd – juist in natuurterreinen. Kijk, als sommige planten verdwijnen door natuurlijke oorzaken, jammer, maar dan kan ik er vrede mee hebben. Maar deze catastrofe wordt door onszelf veroorzaakt.''

Harm Piek, de man bij Natuurmonumenten die de motor is achter de grote grazers, is niet overtuigd van de bezwaren van Van der Meijden. ,,Wilde planten kunnen begrazing goed verdragen'', zegt Piek.

Volgens Van der Meijden is er nog meer aan de hand: ,,Door het bijvoederen zie je nog wat anders in de natuurterreinen. Kennelijk overleven de zaden uit het voeder de koeien- en paardenmagen beter dan de zaden van de wilde planten. Want overal waar ik een oude koeienvla of paardenvijg zie, zie ik na een jaar Engels raaigras en madeliefjes opkomen. Dat zijn planten uit de boerenwei, het zijn hooiweideplanten. Nu heb ik echt niets tegen madeliefjes, maar in een natuurterrein zie ik toch liever een orchidee.''