Een onbetaalbare ervaring

De Raad voor Cultuur wil fors bezuinigen op de gesubsidieerde werkplaatsen voor beeldende kunst. Vooral voor buitenlandse kunstenaars is dan geen plaats meer.

Hoewel het rond etenstijd is en bovendien hartje zomer, is het op de Rijksakademie in Amsterdam een komen en gaan van kunstenaars. Er wordt bijgepraat in de gangen, deelnemers bekijken elkaars nieuwste werken. De meeste atelierdeuren zijn gesloten. Maar afgaande op de muziek die op diverse plaatsen uit de studio's klinkt, wordt er in het hele gebouw hard gewerkt. Komkommertijd kent men hier niet.

Klop op een willekeurige deur en je wordt binnengeroepen door een kunstenaar die verwachtingsvol opkijkt van zijn schilderij, computer of boek, en je vervolgens welwillend te woord staat. Zoals Claire Harvey, die met een shagje in haar mondhoek kleine tekeningetjes krabbelt op gele velletjes Post-It en deze met honderden tegelijk op de muur plakt. ,,Ik heb nog maar vijf maanden te gaan'', verklaart de Engelse kunstenaar haar werkdrift. ,,Daar wil ik optimaal gebruik van maken.''

Harvey, die eerder opleidingen aan de universiteit in Reading en een kunstacademie in Londen afrondde, vertelt dat ze haar geluk niet op kon toen ze uit zo'n achthonderd aanmeldingen geselecteerd werd voor een tweejarige `residency' in Amsterdam. ,,De Rijksakademie is zo'n plek waar je over gehoord hebt maar waarvan je alleen maar kunt dromen'', zegt ze. Nu woont ze in een Rijksakademie-appartement aan de Amstel, heeft ze een licht en ruim atelier in het academiegebouw aan de Sarphatistraat, en krijgt ze maandelijks een stipendium van een kleine 750 euro voor levensonderhoud. Harvey: ,,In Londen had ik een fulltime baan en tekende ik in de metro op weg naar mijn werk. Hier hoef ik even niet meer na te denken over zaken als `hoe ontloop ik mijn huisbaas' en kan ik me volledig aan mijn kunst wijden.'' Daarbij wordt ze begeleid door een elitekorps van kunstenaars, onder wie Michel François, Michelangelo Pistoletto en Luc Tuymans, die soms eens in het half jaar, soms iedere maand op bezoek komen.

Aan deze ideale situatie zou binnenkort wel eens een einde kunnen komen. De Raad voor Cultuur, adviesorgaan van staatssecretaris Medy van der Laan, vindt dat het allemaal wel wat minder luxe mag. Voor de Cultuurnota 2005-2008 stelt de Raad forse bezuinigingen voor die vooral de drie Nederlandse werkplaatsen voor beeldende kunst hard treffen. De Rijksakademie moet negen ton van haar gevraagde budget afstaan, omgerekend een kwart van de lopende kosten. De Ateliers (20 plaatsen) in Amsterdam zien helemaal niets terug van hun subsidie van negen ton. En de Jan van Eyck Academie in Maastricht (48 plaatsen) krijgt niet alleen minder geld – 2,1 miljoen in plaats van de gevraagde 2,8 miljoen euro – maar ook het advies om het aandachtsgebied te verleggen van beeldende kunst naar vormgeving.

,,Het is een zeer vergaand advies'', vindt Koen Brams, de Belg die sinds 2000 directeur is van de Jan van Eyck Academie. ,,De Raad gaat te veel in de stoel van de directie zitten. Het is alsof je tegen een museumdirecteur zegt: `Doe er ook even fotografie bij.' Dat arendsperspectief vind ik heel Nederlands.''

Doodvonnis

Hoe groot de klap werkelijk is, wordt pas op prinsjesdag bekend. Maar Janwillem Schrofer, algemeen directeur van de Rijksakademie, houdt alvast rekening met het ergste. ,,Dit is een vertraagd doodvonnis. Als de plannen worden doorgedrukt zijn we de werkplaatsen over twee jaar kwijt.'' Dit zou het einde betekenen van een systeem dat uniek is in de wereld, vindt Schrofer: ,,Als iemand mij vraagt of er in andere landen vergelijkbare instellingen zijn als de Rijksakademie, dan zeg ik `eigenlijk niet, alleen in Nederland is er iets dat erop lijkt'.''

Het zou een enorme verschraling voor de Nederlandse kunstwereld zijn, zegt ook Martijn van Nieuwenhuyzen, die als hoofd van het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam vaak met kunstenaars van de Rijksakademie en De Ateliers samenwerkt. ,,Wij zijn als expositieruimte voor jonge kunstenaars erg gebaat bij dit soort werkplaatsen. Ze leveren kunstenaars af die die de kans hebben gekregen zich te verdiepen. Voor veel kunstenaars is zo'n tweejarig verblijf in Amsterdam een katalyserende periode, waarin in alle rust geëxperimenteerd en uitgeprobeerd kan worden. Mede daardoor heeft de Nederlandse kunst een bepaalde gedegenheid en een eigen signatuur. De werkplaatsen zijn bovendien van groot belang voor de Amsterdamse kunstscene. Ze trekken behalve internationale kunstenaars ook buitenlandse tentoonstellingsmakers, verzamelaars en galeriehouders aan.''

De Raad geeft in zijn advies toe dat de werkplaatsen ,,ontegenzeggelijk bijdragen aan een open en dynamisch kunstklimaat'', maar vindt vooral dat ,,de afstand tussen het reguliere kunstvakonderwijs, de voortgezette opleidingen en de werkplaatsen steeds nijpender wordt''. Een probleem is dat het reguliere kunstvakonderwijs en de tweedefaseopleidingen – in 1991 ingesteld toen de opleidingsduur van academies verkort werd van vijf naar vier jaar – vallen onder de O van het ministerie van OCW en dus beoordeeld worden door de HBO-raad, terwijl de werkplaatsen gefinancierd worden uit de C, oftewel de Cultuurnota. Dat heeft geleid tot scheve gezichten. Op de academies bereikten de bezuinigingen de afgelopen jaren een kritische grens. De werkplaatsen bleven tot nu toe buiten schot.

Daar komt bij dat er volgens de Raad sprake is van overcapaciteit: er zouden in Nederland te veel werkplaatsen voor beeldend kunstenaars zijn. Deze kennen samen een beduidend groter budget dan vergelijkbare instituten in andere sectoren: 8,5 miljoen euro. Dat is driekwart van de totale subsidie die naar werkplaatsen voor podiumkunsten, film, muziek en architectuur gaat. Wegens overvolledigheid mag De Ateliers – in 1963 door kunstenaars opgericht uit onvrede met het kunstonderwijs – daarom het veld ruimen. Volgens de Raad zou deze werkplaats te veel lijken op de tweede-faseopleidingen.

Dominic van den Boogerd, directeur van De Ateliers, vindt dat de drie werkplaatsen elkaar juist mooi aanvullen. ,,Bij ons zitten de beginners, de jonge kunstenaars die aan het begin van hun carrière staan. De Jan van Eyck legt de nadruk op theorievorming. En op de Rijks zitten kunstenaars die al verder zijn in hun ontwikkeling en die soms bekender zijn dan hun begeleiders.'' Als er al sprake is van overlapping of overcapaciteit, dan komt dat vooral door de diverse vervolgopleidingen van de academies, zegt Van den Boogerd. ,,Ik weet dat het arrogant klinkt, maar de kwaliteit is daar toch beduidend minder.'' Een fusievoorstel van het Sandberg Instituut, de tweede-faseopleiding van de Rietveld Academie, neemt Van den Boogerd niet serieus. ,,Als de overheid geen geld wil geven zullen we andere financiële middelen moeten zoeken. Maar sluiten is geen optie.''

Verkeerd circuit

Op de Rijksakademie zingt het nieuws over de bezuinigingen al een tijdje rond. ,,Het aantal lezingen en tripjes is duidelijk gedaald'', vertelt schilder Tjebbe Beekman. ,,Vorig jaar zijn we vier keer op reis geweest, dit jaar maar één keer.'' Beekman zit in een atelier zo groot als een klaslokaal en wordt omringd door reusachtige schilderijen van gebouwen. Hij meldde zich aan bij de Rijksakademie omdat hij zich naar eigen zeggen in een verkeerd circuit bevond. ,,Ik schilderde na mijn eindexamen in 1997 aan de Haagse kunstacademie vooral portretten om in mijn levensonderhoud te voorzien. In de anderhalf jaar dat ik hier ben, heb ik een immense verandering doorgemaakt. En dat is vooral dankzij de intensieve gesprekken met de begeleiders. Ik heb genoeg bagage om de komende jaren voort te kunnen.''

Vanwege het prestige en de uitstekende voorzieningen staat de Rijksakademie bij veel net afgestudeerde kunstenaars, zowel Nederlandse als buitenlandse, bovenaan het verlanglijstje. Maar het beeld dat jonge kunstenaars na hun afstuderen massaal gaan shoppen bij de meest lucratieve vervolgopleidingen wijst Beekman van de hand. ,,Natuurlijk zijn er kunstenaars die zich uit pragmatische overwegingen aanmelden. De Rijks is toch een soort keurmerk. Maar de selectie is extreem zwaar. Twee keer een half uur lang in het Engels aan negen mensen uitleggen waar je werk over gaat, ik heb er nog nachtmerries over. Je moet dus wel enorm gemotiveerd zijn. Aan een pragmatische houding heb je hier niets, want uiteindelijk bepaal je zelf wat je eruithaalt. Ik snap best dat mensen denken `wat doen die kunstenaars daar met onze belastingcenten?' Maar voor mijn carrière is deze ervaring onbetaalbaar. Er zitten hier dertig nationaliteiten. Je bouwt een enorm netwerk op.''

Juist op de stipendia voor buitenlandse kunstenaars, die de helft van het aantal plaatsen bezetten, wil de Raad voor Cultuur gaan korten. ,,De werkplaatsen zijn in eerste instantie opgericht om jonge, talentvolle Nederlandse kunstenaars te ondersteunen'', meldt het advies. Buitenlanders zouden volgens de Raad vooral naar de Nederlandse werkplaatsen komen vanwege de relatief lage kosten en de beschikbare beurzen. Vanaf 2005 mogen die stipendia niet meer bekostigd worden uit de Cultuurnota. Nederlandse kunstenaars die naar het buitenland gaan, worden immers ook niet door de desbetreffende landen gesubsidieerd.

Martijn van Nieuwenhuyzen vindt die houding onbegrijpelijk: ,,De stipendia zijn een soort diepte-investeringen in kunst en kunstenaars die misschien niet de snelle succesjes opleveren, maar juist op de lange termijn effecten sorteren.'' Volgens hem komen de buitenlandse kunstenaars in de eerste plaats voor het open en ontspannen kunstklimaat. ,,In Londen worden de werken bij wijze van spreken onder hun handen vandaan getrokken door kunsthandelaren. In Nederland wordt de kunstwereld niet zo gedomineerd door de commercie, dat levert een andere, meer complexe kunst op. Een belangrijk neveneffect is dat al die buitenlandse kunstenaars hun eigen netwerk meenemen en, eenmaal terug in eigen land, als ambassadeurs voor de Nederlandse kunst werken.''

Een Rijksakademie zonder buitenlanders is voor Janwillem Schrofer ondenkbaar. Juist de dialoog met andere culturen biedt een meerwaarde, zegt hij. ,,Hier is de poort naar Azië, Afrika of Latijns-Amerika. Je hebt collega's in alle landen. De wereld ligt voor je open.'' Schrofer is vooral bang dat kunstenaars uit arme landen de dupe worden van de bezuinigingen. ,,Voor Belgische of Engelse deelnemers kunnen we nog wel wat steun regelen bij de Vlaamse Gemeenschap of de Arts Council England, maar iemand uit Mali of Indonesië zal in eigen land moeilijk geld vinden. Natuurlijk kan ik morgen een deal maken met Egypte, maar dan zal de voorselectie onder de rijke elite van Kairo en Alexandrië plaatsvinden. Dan krijgen we dus niet de beste kunstenaars.''

Daarom probeert de directeur nu met man en macht de stipendia via fondsenwerving bij elkaar te sprokkelen, onder meer door het aan de man brengen van fellowships. Door het schenken van tienduizend euro kunnen niet alleen bedrijven maar ook particulieren een jaar lang een kunstenaar onderhouden. Persoonlijk contact met de kunstenaar behoort tot de mogelijkheden, zo belooft een gloednieuwe glossy folder: `U bezoekt het atelier, volgt het werk en kunt een kunstwerk aankopen met een Fellowship-korting.' Volgens Schrofer is dat nieuw voor Nederland. ,,Musea werken al wel met vriendenverenigingen, maar voor kunstenaarsplekken werd niet eerder op die wijze geld verzameld.''

Een andere optie is de stipendia om te zetten in leningen. Dat idee werd in mei geopperd door Bureau Berenschot, dat in opdracht van de staatssecretaris onderzoek deed naar de taken van de zogenaamde `ondersteunende instellingen', waartoe ook de werkplaatsen gerekend worden. In hun rapport schrijven de onderzoekers dat het niet meer dan redelijk is dat deelnemers bijdragen aan de kosten die voor hem of haar zijn gemaakt: ,,Van een architect, operazanger, beeldend kunstenaar, performing artist of filmer die zich mede dankzij een werkplaats heeft ontwikkeld op wereldniveau mag je doorgaans verwachten dat hij in staat is het stipendium terug te betalen.'' Zo'n regeling zou volgens het Berenschot-rapport dan gelijk kunnen dienen als kwaliteitssysteem. ,,Een werkplaats waar een groot deel van de deelnemers in staat is de lening terug te betalen kan zo vrij eenvoudig aannemelijk maken dat ze deelnemers op wereldniveau hebben afgeleverd.''

Schrofer gelooft daar niet in. ,,Als het om studenten gaat, zou ik zeggen okay. Maar een werkplaats is geen studie. De kunstenaars die hier komen hebben vaak al vier of vijf jaar gewerkt. Sommigen hebben een klein gezin. Tegen hun galerie moeten ze zeggen: Ik ga twee jaar uit mijn praktijk. Ik blijf wel doorproduceren en tentoonstellen, maar mijn omzet zal dalen.''

Bijbaantje

De Franse kunstenaar Gyan Panchal, tweedejaars op de Jan van Eyck Academie, kan er duidelijk over zijn: als hij geen stipendium had gekregen was hij nooit naar Maastricht gekomen, hoe geïnteresseerd hij ook was in Nederlandse architectuur en vormgeving. ,,Het is niet realistisch om een plaats aan te bieden zonder beurs'', vindt hij. ,,Dan zou je weer een bijbaantje moeten nemen, net als thuis. Het idee van een residency is juist dat je veel tijd voor jezelf neemt, waardoor je tot verdieping in je werk kunt komen. Het is een soort sabbatical, een periode van twee jaar zonder stress.''

Ondanks de verlokkingen van het nabije Vrijthof zijn ook in het witte academiegebouw van de Jan van Eyck nog volop kunstenaars aanwezig. In hun atelier wachten twee filmmakers gespannen op het bezoek van hun begeleider, de internationaal gevierde kunstenaar Aglaia Konrad. Een verdieping hoger helpt een werkplaats-assistent een kunstenaar met het drukken van zelfgemaakte platenhoezen. Net als de Rijksakademie beschikt de Jan van Eyck over uitstekende faciliteiten, zoals een hout- en metaalwerkplaats, een film- en geluidsstudio, montageruimtes en een uitgebreide bibliotheek.

Sinds Koen Brams vier jaar geleden aantrad als directeur noemt de Jan van Eyck Academie zich een `postacademisch instituut voor onderzoek en productie in beeldende kunst, ontwerpen en theorie'. Deelnemers heten er nu `onderzoekers' en de begeleidend kunstenaars en theoretici worden `begeleidende of adviserende onderzoekers' genoemd. Anders dan op de Rijksakademie en De Ateliers wordt ook van deze docenten verwacht dat ze bijdragen aan het onderzoek. Op de drie afdelingen draait het niet alleen om het maken van kunst, maar ook om de reflectie erop. Kunstenaars worden gestimuleerd om zelf symposia te organiseren, of discussiegroepen te vormen over de ideeën van bijvoorbeeld Gilles Deleuze of Jacques Lacan. Discours is in Maastricht een sleutelwoord.

Volgens directeur Koen Brams zijn er vergelijkingen te trekken met de universitaire wereld: ,,Het zijn een soort aio-plaatsen die wij bieden'', vindt hij. ,,Vanuit de academie worden opdrachten en onderwerpen voor onderzoeken geïnitieerd. Alleen hebben onderzoekers hier geen verplichting om les te geven.'' Brams was van plan een inkomensregeling te introduceren die, net als bij universitaire promotieplaatsen, de gederfde inkomsten tijdens de onderzoeksperiode moest compenseren. Maar dat voorstel werd door de Raad voor Cultuur resoluut naar de prullenbak verwezen.

Net als de Rijksakademie krijgt ook de Jan van Eyck de stipendia voor buitenlandse deelnemers niet langer vergoed. ,,Een kwalijke zaak'', vindt Brams. ,,Zeker als je je bedenkt hoeveel geld en ambtenaren er gezet worden op het internationaliseringsbeleid. De werkplaatsen zijn nu juist bij uitstek goede voorbeelden van internationalisering.'' Het idee van Berenschot om de stipendia in leningen te veranderen noemt Brams `wishful thinking'. ,,We hebben hier bijvoorbeeld net afscheid genomen van twee Argentijnse kunstenaars. Na twee jaar gaan zij terug naar een land dat financieel aan de grond zit. Denk je nu echt dat zij dat geld ook terug kunnen betalen?''

Ook de Duitse kunstenaar Tina Clausmeyer, die zojuist haar baan in Engeland heeft opgezegd om mee te kunnen doen aan een onderzoeksproject van de Jan van Eyck Academie, vindt dat voorstel onzinnig. Als ze dan toch zelf moet opdraaien voor haar stipendium, zegt ze, dan wil ze er ook wel wat voor terugzien. ,,Een officieel diploma bijvoorbeeld, zoiets als een master's of een PhD.''

Koen Brams is vooral bang dat de toptalenten hun heil elders zullen gaan zoeken als de voorzieningen in Nederland slechter worden: ,, De kwaliteit van de instroom zal drastisch naar beneden tuimelen. En juist aan die kwaliteit heb ik de afgelopen vier jaar niet willen tornen. Ik laat liever plaatsen oningevuld dan dat ik de selectiecriteria naar beneden haal.''

Op de Rijksakademie, waar de toelatingsronde net achter de rug is, vertelt Janwillem Schrofer vol trots dat hij weer een kleine dertig zwaargewichten gevonden heeft: ,,Misschien is dit wel het beste jaar ooit.'' De uitverkorenen hebben zojuist te horen gekregen dat de keuze op hen gevallen is. Tegelijkertijd werd het nieuws gebracht dat er nog onzekerheden zijn wat betreft hoogte en duur van de stipendia.

,,Het voelt raar'', zegt Schrofer. ,,Een paar weken geleden hebben we hier 65 toelatingsgesprekken gevoerd met jonge kunstenaars. Ze kwamen met de fiets uit Amsterdam, met de trein uit Assen of met het vliegtuig uit de hooglanden van Peru. Sommigen hadden een pak aangetrokken. Ze werden hier opgevangen door mensen die Spaans spreken, ze sliepen bij andere kunstenaars. Er werd naar hun werk gekeken door twee commissies van het allerhoogste niveau, zorgvuldig en met respect. In diezelfde week kwam, als reactie op het bezwaar dat we hadden ingediend, het aanvullende en opnieuw negatieve advies van de Raad voor Cultuur. De brief was opgesteld in een denigrerende, bijna feestelijk narrige toon. Het voelde of ik in een spagaat zakte.''

`De werkplaatsen trekken ook buitenlandse verzamelaars aan'

`Zo'n tweejarig verblijf in Amsterdam is een katalyserende periode'