De vloek van olie

Met olieprijzen die `uit hun dak gaan' en de hoogste niveaus in jaren hebben bereikt, beleven olieproducerende landen een spectaculaire inkomstenstijging. De oliedollars stromen met bakken tegelijk binnen in veelal arme landen. Dat is een opsteker voor de staatskas en een stimulans van de economie. Olie kan een bron van welvaart zijn, maar de werkelijkheid is vaak bedroevend anders. Olie-exporterende ontwikkelingslanden hebben een eenzijdige economische structuur, verwaarlozen andere economische activiteiten (zoals landbouw) en verspillen geld aan prestigieuze projecten. De inkomensongelijkheid is vaak extreem, de olie smeert de corruptie, de oliedollars verdwijnen naar buitenlandse bankrekeningen en worden door het internationale bankwezen rondgepompt. De lokale bevolking is even berooid als altijd en het tropische milieu wordt door oliewinning grote schade toegebracht.

Extractie-industrieën zoals oliewinning en mijnbouw zijn problematisch. Er is een onstilbare vraag in de wereld naar energiebronnen en metalen. De landen die over deze natuurlijke rijkdommen beschikken, willen deze grondstoffen exploiteren en multinationale ondernemingen zijn daartoe maar al te graag bereid. Als de bronnen of de mijnen uitgeput zijn, trekken ze naar een volgend land. Maar roofbouw is iets anders dan economische ontwikkeling. Hoe kunnen de inkomsten uit de grondstoffenwinning worden aangewend om een duurzame ontwikkeling tot stand te brengen? Hierover woedt al tijden een controverse in de boezem van de Wereldbank, de grootste multilaterale organisatie in de wereld die zich bezighoudt met de financiering van ontwikkelingsprojecten.

Deze week besloot de Wereldbank door te gaan met investeringen in olie, gas en mijnbouwprojecten. Eerder was er een kritisch rapport verschenen, opgesteld na een onderzoek onder leiding van Emil Salim, een Indonesische econoom, waartoe de Wereldbank in 2001 opdracht had gegeven. Toen de conclusies van deze zogenoemde Extractive Industries Review begin dit jaar bekend werden, gaven ze aanleiding tot een heftige ideologische strijd. Niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties (NGO`s) grepen het Salim-rapport aan om nieuwe acties tegen de Wereldbank te voeren en eisten volledige stopzetting van iedere betrokkenheid van de Wereldbank bij investeringen in de olie- of mijnbouwsector in ontwikkelingslanden. De corruptie, de veronachtzaming van de arme inheemse bevolking, de ecologische aantasting, de ontwrichting van de lokale economie en de rol van multinationals werden als argumenten gehanteerd om de Wereldbank tot een radicale herziening van zijn beleid te bewegen.

Terecht is de Wereldbank niet op deze druk van de NGO's ingegaan. Want niet NGO's, maar de lidstaten vormen het bestuur van de Wereldbank. Bovendien is het moeilijk vol te houden dat ontwikkelingslanden er beter van worden als de Wereldbank niets meer in olie- en mijnbouwprojecten zou investeren. En ten slotte is het beter dat internationale organisaties die onder permanente publiekscontrole staan, betrokken blijven bij dergelijke projecten zodat ze sociale, economische en ecologische voorwaarden kunnen stellen, dan dat ze volledig afzijdig zijn.

Regeringen van ontwikkelingslanden die over grondstoffen beschikken, kan niet het recht worden ontzegd ze uit de grond te halen. Ze zullen zich wel, veel meer dan in het verleden is gebeurd zonder dat ze hierop zijn aangesproken, rekenschap moeten geven van de verantwoordelijkheden die dit met zich meebrengt. Het geeft geen pas om het bezit van de nationale rijkdommen te verkwanselen aan een handvol `oligarchen', zoals in Rusland, en evenmin om staatsoliebedrijven als het privé-bezit van de machthebbers te beschouwen zoals in menig Afrikaans land. Inkomsten uit olie-exporten kunnen worden gebruikt voor gezondheidszorg, onderwijs of inkomensverbetering en zijn niet per definitie voorbestemd voor kapitaalvlucht. Olie- en mijnbouwmultinationals die actief zijn in ontwikkelingslanden kunnen tonen dat ze maatschappelijk verantwoord ondernemen serieus nemen. Maar nog meer is het een kwestie van behoorlijk bestuur in de landen zelf. De Wereldbank en andere internationale organisaties moeten erop toezien dat olie geen vloek is, maar een economische zegen voor een land, bijvoorbeeld door te helpen met bestuur en beheer van de inkomsten. Zeker nu de olieprijzen voor megameevallers in straatarme landen zorgen.