Berust in het onverklaarde

Het zoveelste boek over Ons Indië? Nee. Jan Lechner, oud-hoogleraar Spaanse letterkunde in Leiden, schreef een heel precies relaas van zijn jeugdjaren, die hij als zoon van een gevangenisdirecteur en ambtenaar bij het departement van oorlog grotendeels in Nederlands-Indië doorbracht.

Uit de verte is het een verslag van een volwassenwording, meer dan de getuigenis van een hunkerend verlangen naar een verloren wereld. Nostalgisch is het wel, maar op een onnadrukkelijke en zeker geen romantiserende manier. Over de Indische nostalgie wordt vaak schamper gedaan, als betrof het een amechtig en machteloos terugverlangen naar een verzonken wereld. Maar de nostalgie is een wezenlijk onderdeel van de Nederlands-Indische cultuur. Ze is niet de uiting van psychologische stagnatie, maar het onlosmakelijke gevolg van de geschiedenis: de ineenstorting van de Indische wereld in 1942 en het gedwongen vertrek na de oorlog.

De oorlogsjaren staan gegrift in elk Indisch geheugen. Lechner zat als Europese jongen in vier interneringskampen. Het zou voor de hand hebben gelegen dat hij de oorlogsjaren tot de kern van zijn memoires had gemaakt. Maar hij doet er terughoudend verslag van, alsof een overdaad aan detail en beklag het relaas zou ontkrachten.

Indrukwekkend is een passage waarin Lechner vertelt van de huiver die hem beving toen hij 's nachts uit het naburig kwartier van de Kempeitai, de Japanse geheime militaire politie, de kreten van een man hoorde die werd gemarteld: `geluiden die niets menselijks, maar ook niets dierlijks hebben'. Hij besluit: `Achteraf vraag ik me af waarom die ervaring niet een totale, blijvende en brandende haat tegen de Japanners bij mij heeft veroorzaakt. Dat is niet zo geweest en ik kan het niet verklaren.' Zo'n berusting bij het onverklaarbare maakt van zijn memoires een bijzonder document.

Maar Lechners geesteshouding is niet de enige reden om zijn boek te lezen. Vooral zijn relaas van de vooroorlogse jaren, die het grootste deel van het boek beslaan, zijn doorspekt met de meest fantastische details uit het dagelijks leven van een witte jongen in een merkwaardig verwrongen maar voor hem toch zo vertrouwde samenleving. We leren wat gatrik was – een soort miniatuurhonkbal met stokjes. We vernemen ook dat er in de kapperszaak in Bandoeng waar de jonge Lechner zich liet knippen, een voormalige koppensneller werkte, wat het kappersbezoek een zekere suspense gaf. En we voelen de onwerkelijke padvinderssfeer die over Indië kwam toen de oorlog in Azië op uitbreken stond. Oppervlakkig gezien lijkt Uit de verte een omgekeerde doos vergeelde snapshots, maar ik ken weinig boeken die de vooroorlogse Indische wereld zo tastbaar maken. Het wonderbaarlijke geheugen van Lechner creëert een sensationeel gevoel van nabijheid dat geen geschiedwerk kan bieden.

Jan Lechner: Uit de verte. Een jeugd in Indië 1927-1946. KITLV Uitgeverij, 151 blz. €14.95