Tsjechië heeft een nieuwe regering

Tsjechië heeft een nieuwe regering. De ministersploeg van de nieuwe premier, Stanislav Gross, werd gisteren geïnstalleerd door president Václav Klaus, die daarbij opmerkte dat er ,,weinig nieuwe gezichten in dit kabinet'' te zien zijn, maar zei toch te hopen dat de nieuwe regering ,,iets nieuws probeert''.

Gross, minister van Binnenlandse Zaken in het vorige kabinet van premier Vladimír Špidla, had beloofd met een nieuwe ploeg te komen, maar heeft toch twaalf van de achttien ministers gehandhaafd. Špidla trad af nadat zijn sociaal-democratische partij CSSD bij de verkiezingen voor het Europees Parlement in juni vernietigend was verslagen – ze kreeg maar 8,8 procent van de stemmen en maar twee van de 24 Tsjechische zetels. Bovendien is de CSSD al langer ten prooi aan allerlei kleine en grote ruzies en is de partij, en Špidla in het bijzonder, door politici van links en rechts langdurig gehekeld om de harde bezuinigingsmaatregelen.

In de nieuwe regering, waarin de sociaal-democraten samenwerken met de christen-democratische KDU-CSL en de liberale US-DEU, zijn de belangrijkste posten, zoals Buitenlandse Zaken, Financiën en Defensie, in dezelfde handen gebleven. Martin Jahn, voormalig chef van het staatsagentschap CzechInvest, wordt vice-premier, belast met economische zaken. Jahn heeft zich een goede reputatie verworven door miljarden euro's aan buitenlandse investeringen binnen te halen. De post van Binnenlandse Zaken gaat naar Karel Bublan, tot dusverre chef van de inlichtingendienst.

In het parlement heeft de regeringscoalitie een meerderheid van slechts één stem. Gross heeft eerder gezegd geen `overlevingsregering' te willen leiden, maar ,,vertrouwen in de toekomst'' te willen opbouwen. Waarnemers geven hem gezien de kleine meerderheid in het parlement, de omvang van Gross' taken, de interne ruzies binnen de CSSD en de nauwelijks gewijzigde personele samenstelling van het nieuwe kabinet niet veel kans het beter te doen dan zijn voorganger. Tsjechië moet drastisch bezuinigen en het pensioensysteem en de gezondheidszorg – beide zo goed als bankroet – hervormen.