Testcase huurlingen

De aanwezigheid van de door de Verenigde Staten geleide coalitie in Irak heeft een los eindje: huurlingen. Dat woord mag overigens niet meer worden gebruikt. `Huurlingen' zijn de opgepakte Zuid-Afrikanen die terecht staan in Zimbabwe. In Irak gaat het om `particuliere militaire ondernemingen' (PMO's), een vorm van militaire outsourcing die snel in omvang en belang toeneemt. Hij was al bekend uit bijvoorbeeld voormalig Joegoslavië en conflicthaarden in West-Afrika. Dit verandert echter niet veel aan het probleem dat in een scherp daglicht kwam te staan door de onthullingen over excessen in de Abu Ghraib-gevangenis in Bagdad. Daar bleken ingehuurde ondervragers bij betrokken. Welke waarborgen zijn er voor gezag en controle over dit soort ongeregelde troepen?

Deze vraag heeft een nieuwe draai gekregen door een conflict dat is losgebarsten over een groot contract in Irak. Ook na de soevereiniteitsoverdracht blijft een hele reeks PMO's daar zo'n grote rol spelen dat een apart bedrijf moest worden ingeschakeld om ze te coördineren. Tot veler verrassing ging het contract naar het Britse bedrijf Aegis Defense Services. Dit wordt aangevoerd door een voormalige officier met een dubieus verleden, zoals een mislukte putsch in Papoea Nieuw-Guinea en schending van een wapenembargo tegen Sierra Leone. Een concurrerend Amerikaanse bedrijf, Dyncorp, vecht de toewijzing van het contract aan Aegis aan met onder meer het argument dat de Britse firma niet aan de standaard voldoet.

Maar wat is de standaard voor een PMO? De gedachte dat men de controle over dit soort bedrijven in Irak kan uitbesteden aan een ander particulier bedrijf in plaats van hem stevig in militaire handen te houden, is op zichzelf al veelzeggend. Hij illustreert ,,dat zelfs de beste strijdkrachten niet beschikken over een doctrine voor het inzetten en leiding geven aan de militaire ondernemingen''. Dit constateert P.W. Singer van het Amerikaanse Brookings Institute in zijn recente boek Corporate Warriors. De afwezigheid van een behoorlijke doctrine is verontrustend, omdat PMO's aardig op weg zijn een zelfstandige factor te worden in (potentiële) conflicthaarden in de wereld. Hiermee dient rekening te worden gehouden in het internationale veiligheidsbeleid.

Er zijn ook heel praktische redenen voor de waarschuwing dat privatisering van militaire taken geen reden is voor het laten verslappen van gezag. Het vervagen van de grens tussen burgers en militairen door de inzet van particuliere contractanten vormt een belangrijke complicatie van het humanitaire oorlogsrecht. Als de politie van Irak wordt opgeleid door een particulier bedrijf, kan dat bijdragen tot de gedachte dat loyaliteit niet iets is dat men verschuldigd is aan zijn land – maar aan het bedrijf dat het contract heeft gekregen.

De Verenigde Naties hebben in 1989 een verdrag tegen huurlingen tot stand gebracht, maar dat lijkt geen groot succes, al is er wel een speciale rapporteur aangesteld. Een aantal Europese landen, waaronder Nederland, heeft het verdrag niet getekend, omdat ze het te ruim vonden. Het probleem volgens Singer is dat het VN-verdrag onvoldoende rekening houdt met de nieuwe bedrijfsmatige opzet van de branche. Deze markeert een omslag waarvan de implicaties nog onvoldoende worden ingezien. Ook niet door de Verenigde Staten, al hebben de Amerikanen speciale wetgeving voor de particuliere militaire industrie. De opdrachtgevers in Washington moeten goed beseffen dat werknemers van PMO's net zo goed de vertegenwoordigers van het land zijn als de eigen diplomaten ter plaatse. Dat geldt helemaal voor Irak. Het Aegis-contract kan nog een belangrijke testcase worden.