Posthistorische nonsens

Op de opiniepagina van 31 juli greep filosoof Jos de Mul de discussie over een hedendaags tekort aan historisch besef aan om het roer om te gooien en pal tegen de wind te gaan varen. Blijkbaar leeft hij in de overtuiging dat dit mogelijk is. Wat praten die historici toch over het nut van geschiedenislessen in moderne stijl (`microscopisch-thematisch') of in de wat oudere stijl van grote overzichten.

Het historisch wereldbeeld als zodanig is volstrekt achterhaald; we hoeven het dus ook niet meer aan te kweken of er aan te dokteren. De 19de eeuw zou ons hebben opgezadeld met een besef van de historiciteit van alles wat we tot onze cultuur mogen rekenen. Maar aan deze moderniteit hebben wij, supermoderne mensen, thans geen boodschap meer.

In het tijdperk van de computer en alle daarmee samenhangende nieuwe ontwikkelingen of technieken (zoals samplen, reality tv, makeover etc.) is het onderscheid tussen verleden en heden al verdwenen en het tijdsbesef overwonnen. Hoera, wij hebben het voorrecht om te leven ,,met een posthistorisch wereldbeeld''. De auteur veroorlooft zich nog net niet het oxymoron `in een posthistorisch tijdperk', waarmee hij maar al te duidelijk zijn eigen glazen zou ingooien.

Dat het Duitse historicisme van de 19de eeuw verantwoordelijk zou zijn voor het ontstaan van ons historisch besef wordt nergens nog serieus genomen. Historisch besef, het inzicht dat alles (taal, zeden, wetenschappelijke theorieën e.d.) ooit ontstaan is en steeds aan ontwikkelingen onderhevig is en van omstandigheden afhankelijk, is natuurlijk eeuwenoud (zie onder meer de antieke `epiek') en heeft zelfs geleid tot de filosofie van het `radicale transformisme', zoals in de Metamorfosen van Ovidius.

Ten tweede toont geen van De Muls voorbeelden aan wat hij wil betogen, maar juist het tegendeel. Alle impliceren ze de werking in de tijd van bepaalde mechanismen (zoals de computer, die van tijd tot tijd kapotgaat) of menselijke strategieën (die telkens verouderen). De gebruikers of beschouwers zijn zich daarvan volgens zijn eigen uitleg ook bewust: dit is te wijten aan de datum-functie, dat heb ik eerder gezien, ik kan er niet achter komen hoe het eigenlijk of werkelijk was.

Maar de baarlijkste nonsens is natuurlijk de suggestie dat het mechanisme van ons eigen bezielde lichaam door zo'n bijproduct van de menselijke cultuur als de computer in zijn voegen kraakt en dat wij daarmee onszelf in feite beroven van de voorstellingen van onze wording, veranderlijkheid en relativiteit, van ons geplaatst zijn in een tijdsdimensie, van ons verblijf in een periode die door de geschiedenis werd bepaald.

Als filosoof heeft de auteur de kans gemist om zijn lezers te herinneren aan hun mogelijkheid om op een totaal andere manier boven de tijdsdimensie uit te stijgen. Niet na (post) maar in het verloop van hun leven, in de geschiedenis dus, kunnen mensen naderen tot een `suprahistorisch' (niet posthistorisch) bewustzijn, waarin het onderscheid tussen de tijdsdelen van verleden, heden en toekomst en daarmee ook hun eigen historiciteit echt verdwijnt. Hun talloze ervaringen, hun scholing door het leven en door wat de wetenschap aan wetmatigheden voorhoudt, en hun bezinning op dat alles maakt hen gevoelig voor wat aan alles gemeenschappelijk is en zich dan ook overal (in alle soorten levende wezens en natuurlijke systemen) en te allen tijde (niet slechts in verleden of heden) vertoont.

Gaarne citeer ik voor dit geheel andere ,,ontsnappen uit het historisch bewustzijn'' (De Mul) drie filosofen uit verschillende culturen en tijdperken, die hem de weg hadden kunnen wijzen. De Griek Epicurus (342-371 v. Chr.) schrijft (SV10): ,,Besef, dat je, hoewel sterfelijk en slechts in het bezit van een beperkte levenstijd, door de uiteenzettingen over de wetmatigheid van het heelal opstijgt tot de oneindigheid en eeuwigheid en doorschouwt wat is, zal zijn en vroeger geweest is [dit laatste is een aanhaling uit Homerus]''. Een van de stichters van het Chinese Zen-Boeddhisme, Hui-Neng (638-713), leert dat ,,verlichte mensen geen onderscheid maken tussen een wijze man en een gewone mens, zich niet bezondigen aan bevestigingen of ontkenningen en door de barrière van verleden, heden en toekomst breken''.

Onze landgenoot Spinoza ten slotte (1632-1677) leert in de Ethica dat ieder mens door schade en schande wijs wordt en gaat begrijpen dat hij niets dan een modus van het ene oneindige is. Aan het topje van zijn levensontwikkeling ziet hij alles (inclusief zichzelf) `als eeuwig' (sub specie aeternitatis) en hetzelfde en zijn de voorstellingen (imaginationes) van de tijdsdelen geheel verdwenen.

Misschien is de auteur zelf, in plaats van de historici, wel toe aan een `omscholingscurusus'.

Wim Klever is oud-hoofddocent wijsbegeerte.